---
title: "4.2 Impact en handelingsperspectief"
canonical: "https://wiki.groenkennisnet.nl/space/kpikll/533331975/4.2%20Impact%20en%20handelingsperspectief"
format: markdown
---
Omdat de meeste beschreven KPI’s nog in ontwikkeling zijn en nog niet volledig bekend is hoe ze berekend gaan worden, is er alleen in grote lijnen een handelingsperspectief gegeven. Alleen voor Eiwit van eigen land is een uitgebreidere analyse beschikbaar. 

### Landgebruik 

Het doel van de KPI is om landgebruik te sturen naar een zo hoog mogelijke prioriteit (humaan voedsel – diervoeder – overig). Wanneer het bouwplan ook zo wordt ingericht krijgt het bedrijf een goede score voor deze KPI. Teelt van non-foodgewassen en siergewassen scoren laag op deze KPI.

Een melkveebedrijf dat ligt op een locatie waarop ook akkerbouw kan plaatsvinden zou laag scoren op deze KPI. In geval van teelt van relatief veel groenbemesters of rustgewassen zou een bedrijf lager scoren op deze KPI, maar hoger op de KPI’s voor bodem organische stof, bodemkwaliteit en gewasdiversiteit. Er kan een afwenteling naar nitraatuitspoeling ontstaan wanneer er veel grasland zou worden omgezet naar akkerbouw. Nitraatconcentraties in grondwater onder bouwland zijn over het algemeen hoger zijn dan onder grasland, ook bij lagere bodemoverschotten omdat op bouwland een grotere fractie van het bodemoverschot uitspoelt naar het grondwater. 

### Circulaire meststoffen 

Organische meststoffen zijn in principe circulair, bij gebruik van relatief veel organische meststoffen gaat een score voor deze KPI omhoog. Daarbij zal echter toegegeven worden op de N-efficiëntie op het land en op de KPI N-bodemoverschot lager scoren. Dit kan ook voor RENURE gelden omdat voor RENURE in onderzoek vaak een lagere efficiëntie lijkt te hebben dan de ‘gewone’ kunstmest. Het gebruik van organische meststoffen wordt echter wel gezien als positief voor bodem organische stof en bodemkwaliteit. Bij maximumgebruik van compost zal een bedrijf ook lager scoren op de KPI P-bodemoverschot omdat de aanvoer van P uit compost niet volledig meegeteld hoeft te worden bij aanvoer op het bedrijf. Bij het volledig benutten van de P-gebruiksruimte met compost wordt er dus meer P aangevoerd dan bij gebruik van andere meststoffen. 

Minerale meststoffen kunnen circulair zijn maar op dit moment zijn er nog weinig volledig minerale meststoffen die als circulair aan te merken zijn verkrijgbaar. Omdat er nog niet zoveel voorbeelden zijn van minerale circulaire meststoffen is het nog niet goed in te schatten of gebruik van (relatief) veel minerale circulaire N-meststoffen effect heeft op het N-bodemoverschot.

Wanneer de meststoffen net zo effectief zijn als de kunstmest die nu gebruikt wordt, zal er geen negatief effect op het N-overschot zijn. Maar het is mogelijk dat circulaire meststoffen meer ammonium of ureum bevatten dan de huidige kunstmestsoorten en daardoor een lagere efficiëntie in het veld hebben. Dat hangt overigens ook af van de bodem- en weersomstandigheden waaronder deze meststoffen worden toegepast, dit kan variëren tussen jaren. Bij een lagere efficiëntie zal het N-bodemoverschot stijgen. 

Omdat bij de productie van de gangbare kunstmest N veel fossiele energie gebruikt wordt, zal vervanging van deze meststoffen in een lagere carbon footprint resulteren. 

### Afzet mest 

Concreet is op het moment voor afzet van de mest alleen boer-boerafzet (< 10 km) dat met redelijke zekerheid als hoogwaardige afzet bestempeld kan worden. Boerboerafzet over grotere afstanden is dat ook maar op het formulier rVDM is dat niet zo aangeduid. Op het formulier zijn wel postcodes en KvK-nummers vermeld. Mogelijk zijn dat ingangen om mesttransporten verder te duiden. Wanneer een veehouder mest kan afzetten naar andere agrarische bestemmingen binnen Nederland, zorgt dat voor een hogere KPI voor mestafzet. 

De score op deze KPI Mestafzet heeft binnen het bedrijf geen invloed op andere KPI’s. 

### Oorsprong diervoeders 

Als de KPI Oorsprong diervoeders gebruikt gaat worden op korte(re) termijn zal met name het aandeel reststromen in aangekocht voer het belangrijkste onderdeel waar binnen deze KPI op gestuurd gaat worden. Op langere termijn is het vanuit circulair oogpunt wenselijk dat het niet alleen gaat over reststromen maar over het aandeel ongeschikt voor humane voeding. 

Een bedrijf scoort beter op deze KPI wanneer een groter aandeel in aangekochte voeders onder reststromen (en in de verdere toekomst mogelijk andere criteria) vallen. Op dit moment kan de individuele veehouder hier nog niet op sturen omdat de ingrediënten van samengestelde krachtvoeders niet altijd bekend zijn en het aandeel van die ingrediënten vrijwel nooit bekend zijn bij de afnemer. Bovendien kan er door een veehouder nog geen keuze gemaakt worden tussen voeders of leveranciers die meer of minder scoren op deze KPI. Alleen bij enkelvoudige voeders, zoals de natte bijproducten, zijn ingrediënten bekend en meestal reststromen en niet geschikt of gewenst als humane voeding.

Een goede score op deze KPI zou mogelijk invloed kunnen hebben op efficiëntie in dieren als door keuze voor een hogere KPI-score hier grondstoffen gebruikt gaan worden die minder efficiënt zijn in dieren. Dit kan gevolgen hebben voor KPI’s die verliezen in beeld brengen (emissies en overschotten). 

### Eiwit van eigen land

Op hoofdlijnen zijn er twee sporen:

- het verhogen van de eiwitproductie van eigen land
- het verlagen van de eiwitopname van de veestapel.

Concrete maatregelen zijn het: 

- verhogen aandeel grasland in bouwplan
- verhogen aandeel vers gras in rantsoen
- verhogen grasopbrengst
- verlagen jongveebezetting
- verlagen RE/VEM-verhouding rantsoen
- verlagen krachtvoergebruik
- vergroten oppervlakte.

*Positieve neveneffecten*

- Het verhogen van het aandeel eiwit van eigen land draagt bij aan optimaal landgebruik (schaarse bronnen), tenzij dit gebeurt op land dat voor teelt van voedselgewassen gebruikt kan worden.
- Het verlagen van het gebruik van (circulaire) kunstmest kan de carbon footprint van het bedrijf verlagen en draagt dus bij aan lagere broeikasgasemissies (LCA).
- Het verhogen van het aandeel grasland kan positief bijdragen aan klimaat, water en biodiversiteit.
- Het verhogen van het aandeel vers gras (via beweiding) in het rantsoen en het verlagen van de jongveebezetting kan tot een lagere NH<sub>3</sub>-emissie (biodiversiteit) en methaanemissie leiden.

*Mogelijke afwentelingen *

- Verhogen van het aandeel vers gras via beweiding heeft mogelijk negatieve effecten op waterkwaliteit (nitraatuitspoeling) en lachgasemissies.
- Als verhogen van de graslandopbrengst het gevolg is van hogere bemesting, kan dit gepaard gaan met hogere stikstofverliezen (ammoniak, nitraat, lachgas).
- Een intensiever maaibeleid kan een negatief effect hebben op biodiversiteit.

*Positieve sociaal-economische effecten* 

Het verlagen van de jongveebezetting en het krachtvoergebruik kan tot lagere kosten leiden. 

*Negatieve sociaal-economische effecten *

Het verwerven van meer grond om eiwit eigen land te verhogen kan bedrijfseconomisch niet altijd uit.