---
title: "5.1 Data en berekeningswijze"
canonical: "https://wiki.groenkennisnet.nl/space/kpikll/531759129/5.1%20Data%20en%20berekeningswijze"
format: markdown
---
## Berekeningswijze en bestaande rekeninstrumenten 

De landbouw draagt via verschillende processen bij aan de uitstoot van de CH<sub>4</sub>, N<sub>2</sub>O en CO<sub>2</sub>, en kan ook CO<sub>2</sub> vastleggen. De belangrijkste emissiebronnen en CO<sub>2</sub>- sinks zijn globaal als volgt (zie volledig overzicht in tabel 1.1):

- *op het landbouwbedrijf *
  - Methaan wordt gevormd tijdens spijsverteringsprocessen, vooral in herkauwers, en bij omzettingen van mest in mestopslagen.
  - Lachgas emitteert uit mest, en uit landbouwbodems als gevolg van bemesting en landgebruik (bijvoorbeeld veenafbraak).
  - Koolstofdioxide ontstaat op het bedrijf zelf vooral als gevolg van gebruik van fossiele brandstoffen. Daarnaast vinden er CO<sub>2</sub>-emissies plaats bij een daling van de koolstofvoorraad in de bodem, bijvoorbeeld op veengronden.
  - Omgekeerd kan de bodemkoolstofvoorraad ook stijgen, dan wordt netto CO<sub>2</sub> onttrokken uit de atmosfeer die in mindering kan worden gebracht op emissies (CO<sub>2</sub>-sink).
- *in de aanvoerketen*
  - Buiten het bedrijf vinden emissies plaats bij de productie en het transport van aangekochte productiemiddelen, zoals energie, kunstmest en krachtvoer. Ook zijn er emissies door landgebruiksverandering, zoals ontbossing voor voerproductie

Voor de berekening van emissies en koolstofvastlegging wordt aangesloten bij internationale voorschriften voor het berekenen van broeikasgasemissies. Voor zowel de Nederlandse overheid als de industrie gelden verplichtingen omtrent het monitoren en rapporteren van broeikasgasemissies, met bijbehorende achterliggende voorschriften: 

- Nederland is volgens het UNFCCC Klimaatverdrag verplicht om broeikasgasemissies binnen eigen landgrenzen te monitoren en per sector te rapporteren in een National Inventory Report (NIR). [Emissies uit de Nederlandse landbouw vallen onder verschillende NIR-sectoren, maar het grootste deel onder Landbouw](https://www.wur.nl/nl/onderzoek-resultaten/kennisonline-onderzoeksprojecten-lvvn/kennisonline/klimaatperspectief-nederlandse-agroproductie.htm). Broeikasgassen uit de NIR-sector Landbouw worden berekend met het National Emission Model for Agriculture (NEMA; Van Bruggen et al., 2024), die de voorschriften volgt van de IPCC (2006 en 2019) en nationaal afgeleide waarden (Velthof en Mosquera, 2011).
- Grote bedrijven in de agri-foodsector moeten onder de Europese CSRD-richtlijn broeikasgasemissies rapporteren volgens European Sustainability Reporting Standards (ESRS). Daarbij vallen emissies van aangekochte agrarische producten onder ‘Scope 3’- categorie (purchased goods and services). Voor de berekening van deze emissies moeten erkende standaarden en methoden worden gebruikt, zoals het GHG Protocol waarbij LCA en sectorgerichte kaders zoals FAO-LEAP of [PEFCR](https://green-forum.ec.europa.eu/green-business/environmental-footprint-methods_en) als best practice gelden.

![image-20260424-132838.png](media://8cadcf59-69b1-4c4f-9ba7-92302164686b)

### Melkveehouderij 

*1: BKG*<sub>*LCA*</sub>* in kg CO*<sub>*2*</sub>*-eq per kg meetmelk *

In de LCA-benadering is de totale emissie de som van de CH<sub>4</sub>-, N<sub>2</sub>O- en CO<sub>2</sub>-emissies die plaatsvinden vanuit emissiebronnen in tabel 1.1 hierboven. Rekenregels voor broeikasgasemissies in de Nederlandse melkveehouderij zijn gebaseerd op internationale protocollen (bijvoorbeeld IPCC, ISO, PAS 2050:2011, PEFCR) en staan beschreven in het rekenregelrapport van de KringloopWijzer (KLW; Van Dijk et al., 2025). We gaan in deze notitie daarom niet in op de berekeningswijze voor BKG<sub>LCA</sub> in de melkveehouderij. 

De formule voor het totale broeikaseffect, uitgedrukt in CO<sub>2</sub>-equivalenten, is als volgt (GWP waardes op basis van IPCC AR6, 2021): 

CO<sub>2</sub>-eq.-tot = 27 * CH<sub>4</sub>,biogeen + 29,8 * CH<sub>4</sub>,fossiel + 273 * N<sub>2</sub>O + 1 * CO<sub>2</sub> 

Rekeninstrumenten: Op vrijwel alle Nederlandse melkveebedrijven worden broeikasgasemissies jaarlijks berekend op basis van een LCA met rekeninstrument KringloopWijzer. 

*2: BKG*<sub>*NIR-DSM*</sub>* in kg CO*<sub>*2*</sub>*-eq per fosfaatrecht (bedrijfsbenadering) *

Voor NIR-sector Landbouw worden emissies op nationaal niveau berekend, en sinds kort worden deze ook in de uitvoer van de KringloopWijzer gerapporteerd op bedrijfsniveau. BKG<sub>NIR-DSM</sub> is de som van de CH<sub>4</sub>- en N<sub>2</sub>O-emissies die plaatsvinden vanuit pens- en darmfermentatie (CH<sub>4</sub>) en stal en mestopslag (CH<sub>4</sub> en N<sub>2</sub>O). Voor de berekening van emissies worden dezelfde rekenregels en emissiefactoren gebruikt als in de KringloopWijzer (KLW), die op deze onderdelen waar mogelijk geharmoniseerd is met NEMA. Dit betekent dat de KringloopWijzer in principe dezelfde factoren en werkwijze gebruikt als NEMA, maar dan op bedrijfsniveau in plaats van op nationaal niveau. Dit verschil betekent dat de KringloopWijzer soms bedrijfsspecifiekere uitgangspunten of werkwijze hanteert, bijvoorbeeld een differentiatie in staltype (omgevingswet), waar NEMA dit niet doet. 

De emissies worden globaal als volgt berekend in KLW (voor details, zie Van Dijk et al., 2025):

- *Methaan uit pens- en darmfermentatie *De berekening van enterische methaanemissie in KLW is op het meest nauwkeurige niveau dat de IPCC toestaat, het Tier 3-niveau. Het wordt berekend door de drogestofopname (DS) van de melkveestapel te vermenigvuldigen met een emissiefactor (EF<sub>CH4</sub> in g CH<sub>4</sub> per kg DS) voor het specifieke rantsoen van het bedrijf.
  - De DS-opname wordt bepaald per diercategorie (melkvee, jongvee; met uitzondering van kalveren 0-3 maanden). De standaard DS-opname is 18,5 kg DS per melkkoe per dag; als de werkelijke opname afwijkt, wordt daarvoor gecorrigeerd in de emissiefactor.
  - De EF<sub>CH4</sub> van het rantsoen wordt bepaald door de rantsoensamenstelling (aandeel per voedermiddel) en de EF<sub>CH4</sub> per voedermiddel in het rantsoen. Elk voedermiddel heeft een eigen EF<sub>CH4</sub>, gecorrigeerd voor het aandeel snijmais in het rantsoen (0%, 40%, of 80% in het ruwvoerdeel). Het NDF<sup>7 </sup>en zetmeelgehalte van voedermiddelen zijn belangrijke verklarende variabelen, met een hogere emissie bij een hoger NDF- en lager zetmeelgehalte. Gebruik van toevoegmiddelen (bijvoorbeeld 3-NOP) kunnen de emissie verder reduceren.
- *Methaan uit stal en mestopslag  *De methaanemissie uit mest wordt berekend door een emissiefactor per diercategorie (EF in kg CH<sub>4 </sub>per dier per jaar) te vermenigvuldigen met het aantal dieren per diercategorie op het bedrijf (Tier 2-niveau in IPCC). De EF per diercategorie wordt berekend door productie van volatile solids (vluchtige vaste stoffen; VS) in mest te vermenigvuldigen met een potentiële hoeveelheid methaan die kan ontsnappen, gecorrigeerd voor het mestmanagementsysteem (hogere emissie uit drijfmestopslag, lagere emissie bij vergisting, vaste mest en weidemest). De VS in de mest komen uit urine, feces, voerresten en strooiselmateriaal. Feces leveren de grootste bijdrage, waarbij de hoeveelheid VS wordt bepaald door de DSopname van dieren, en het ruwasgehalte en de verteerbaarheid van de organische stof van voedermiddelen in het rantsoen.
- *Lachgas uit stal en mestopslag* De lachgasemissie uit mest wordt berekend door de Nexcretie per diercategorie te vermenigvuldigen met de verdeling over mestsystemen (drijfmest/vaste mest) en de daarbij horende emissiefactoren. Uit drijfmest is er minder emissie dan uit vaste mest. De N-excretie wordt bepaald door diverse factoren, zoals ruw eiwitgehalte van het rantsoen, voeropname en productieniveau.

Alleen emissies op het bedrijf die vallen onder de melkveetak worden meegenomen, exclusief overige graasdieren. De reden hiervoor is dat de hoeveelheid dieren die in Nederland gehouden mogen worden (uitgedrukt in forfaitaire fosfaatproductie) per veehouderijsector is begrensd.

In de huidige berekening is het aantal benodigde fosfaatrechten benaderd via de forfaitaire fosfaatexcretie. Aanbevolen wordt te verkennen wat de beleidsmatige voor- en nadelen zijn van een daadwerkelijke koppeling aan het fosfaatrechtensysteem. In Reijs en De Vries is alleen gekeken naar voor- en nadelen van de functionele eenheid fosfaatrecht (oftewel forfaitaire fosfaatexcretie). 

De berekening is als volgt: 

Totaal BKG<sub>NIR-DSM</sub> in kg CO<sub>2</sub>-eq. per fosfaatrecht = (CH<sub>4</sub>d + CH<sub>4</sub>sm + N<sub>2</sub>Osm) / (excr_forf / 0,985) 

Waarbij: CH<sub>4</sub>d = methaan uit pens- en darmfermentatie melkveetak, CH<sub>4</sub>sm = methaan uit stal en mestopslag melkveetak, en N<sub>2</sub>Osm = lachgas uit stal en mestopslag melkveetak, excr_forf = forfaitaire excretie stikstof melkveetak, 0,985= correctiefactor voor onderbenutting van fosfaatrechten. 

Rekeninstrumenten: BKG<sub>NIR</sub> emissies op melkveebedrijven worden jaarlijks berekend met rekeninstrument KringloopWijzer. 

*3: BKG*<sub>*NIR-VELD*</sub>* in kg CO*<sub>*2*</sub>*-eq per ha (bedrijfsbenadering) *

Voor NIR-Landbouw worden emissies op nationaal niveau berekend, en sinds kort worden deze ook in de uitvoer van de KringloopWijzer gerapporteerd op bedrijfsniveau. BKG<sub>NIR-VELD</sub> is de som van de directe en indirecte N<sub>2</sub>O-emissie die plaatsvindt bij bemesten, weiden, vanuit gewasresten en bij gebruik van organische bodems, en CO<sub>2</sub>-emissie bij bekalken en aanwenden ureum. Voor de berekening worden dezelfde rekenregels en emissiefactoren gebruikt als in de KringloopWijzer (KLW), die op deze onderdelen geharmoniseerd is met NEMA. Dit betekent dat de KringloopWijzer in principe dezelfde factoren en werkwijze gebruikt als NEMA, maar dan op bedrijfsniveau in plaats van op nationaal niveau. Dit verschil betekent dat de KringloopWijzer soms bedrijfsspecifiekere uitgangspunten of werkwijzen hanteert. 

De emissies worden als volgt berekend in KLW (voor details, zie Van Dijk et al., 2025):

- De directe lachgasemissie wordt berekend door de stikstof die op de bodem terechtkomt (dierlijke mest, kunstmest, weidemest, gewasresten, compost/ champost) te vermenigvuldigen met een bronspecifieke emissiefactor (EF in kg N<sub>2</sub>O-N per kg N) per grondsoort en type landgebruik (grasland/bouwland), gecorrigeerd voor de aanwendingsmethode en eventueel gebruik van toevoegmiddelen (nitrificatieremmer). De lachgasemissie uit veenmineralisatie wordt geschat door het aandeel veengrond op het bedrijf te vermenigvuldigen met een vaste EF (4,7 kg N<sub>2</sub>O-N per ha).
- De indirecte lachgasemissie wordt berekend door de ammoniakemissie en nitraat uit- en afspoeling te vermenigvuldigen met een EF per grondsoort en type landgebruik (grasland/bouwland). De uitspoelingsfracties zijn hierbij afhankelijk van grondsoort, ontwatering en type landgebruik (grasland/bouwland).
- De CO<sub>2</sub>-emissie bij toediening van kalkmeststoffen en ureummeststoffen wordt berekend door de hoeveelheid toegediende kalk en ureum te vermenigvuldigen met een vaste EF per meststof (in g CO<sub>2</sub>/kg kalksteen, dolomiet of ureum).

Het betreft de emissies op alle hectares van het bedrijf, dus niet alleen de hectares van de melkveetak. De reden hiervoor is dat de rekenwijze in principe gelijk is voor alle hectares en een onderscheid tussen sectoren bij voorkeur dient te worden vermeden.

De berekening met KLW kengetallen is als volgt: 

Totaal BKG<sub>NIR-VELD</sub> in kg CO<sub>2</sub>-eq per hectare = (N<sub>2</sub>Oveld + CO<sub>2</sub>veld + CH<sub>4</sub>veld) / opp_tot 

Waarbij: N<sub>2</sub>Oveld = lachgasemissie door bemesting, gewasresten, weiden, veenafbraak en scheuren grasland, CO<sub>2</sub>veld= CO<sub>2</sub>-emissie door bekalken en aanwenden ureum, CH<sub>4</sub>veld = methaanemissie uit weidemest, en opp_tot=totaal aantal hectares op bedrijf. 

Rekeninstrumenten: BKG<sub>NIR</sub>-emissies op melkveebedrijven worden jaarlijks berekend met rekeninstrument KringloopWijzer. 

### Akkerbouw 

*4: BKG*<sub>*LCA*</sub>* in kg CO*<sub>*2*</sub>*-eq per hectare (ketenbenadering) *

In de LCA benadering is de totale emissie de som van de N2O- en CO2-emissies die plaatsvinden vanuit emissiebronnen in tabel 1.1 hierboven. Rekenregels voor broeikasgasemissies zijn grotendeels vergelijkbaar met melkveebedrijven en staan beschreven in het rekenregelrapport van de KringloopWijzer (KLW; Van Dijk et al., 2025). Overige berekeningen die niet voorkomen in de Kringloopwijzer zijn gebaseerd op internationale protocollen (bijvoorbeeld IPCC, ISO, PAS 2050:2011, PEFCR). We geven in deze notitie op grote lijnen de berekeningswijze voor BKG<sub>LCA</sub>. 

De formule voor het totale broeikaseffect, uitgedrukt in CO<sub>2</sub>-equivalenten, is als volgt: 

CO<sub>2</sub>-eq.-tot = 273 * N<sub>2</sub>O + 1 * CO<sub>2</sub> 

In de akkerbouw wordt gerekend met directe en indirecte emissies voor zowel N<sub>2</sub>O als CO<sub>2</sub>. Directe emissies zijn emissies die op het bedrijf plaatsvinden door bijvoorbeeld het verbranden van fossiele brandstoffen of N<sub>2</sub>O-emissies uit toegediende N-meststoffen. Indirecte emissies zijn bijvoorbeeld emissies die vrijkomen bij de productie van aangevoerde producten (zoals kunstmeststoffen) van buiten het bedrijf of indirecte lachgasemissies door geëmitteerde NH<sub>3</sub> en nitraat. 

CO<sub>2</sub>-emissies op het bedrijf zijn opgebouwd uit de volgende posten: 

CO<sub>2 </sub>bedrijf = CO<sub>2</sub> uit brandstoffen + CO2 uit elektragebruik

> ℹ️ <sub>Elektragebruik behoort officieel niet tot emissies op het bedrijf, want de emissie vindt plaats op de plek waar het wordt opgewekt. Echter, er is geen aparte post opgenomen in de Nutriëntenbalans Akkerbouw voor energie, waardoor de huidige plek gehandhaafd wordt.</sub>

 CO<sub>2</sub>-emissies in de aanvoerketen (productie en transport van inputs) zijn opgebouwd uit de volgende posten: 

CO<sub>2</sub> uit productie van inputs = CO<sub>2</sub> uit productie meststoffen + CO<sub>2</sub> uit productie overige productiemiddelen 

Directe N<sub>2</sub>O-emissies zijn opgebouwd uit de volgende posten: 

N<sub>2</sub>O direct = N<sub>2</sub>O uit kunstmest + N<sub>2</sub>O uit organische mest<sup>1</sup> + N<sub>2</sub>O uit gewasresten1 + N<sub>2</sub>O uit veenbodems

> ℹ️ <sub>1 inclusief groenbemesters </sub>

Indirecte N<sub>2</sub>O-emissies zijn opgebouwd uit de volgende posten: 

N<sub>2</sub>O indirect = N<sub>2</sub>O uit NH<sub>3</sub>-emissie + N<sub>2</sub>O uit nitraatuitspoeling

*5: BKG*<sub>*NIR*</sub>* in kg CO*<sub>*2*</sub>*-eq per hectare (bedrijfsbenadering) *

BKG<sub>NIR</sub> is de som van de directe en indirecte N<sub>2</sub>O-emissie die plaatsvindt bij bemesten en vanuit gewasresten (N<sub>2</sub>O). Voor de berekening worden dezelfde rekenregels en emissiefactoren gebruikt als in de KringloopWijzer (KLW), welke op deze onderdelen waar mogelijk geharmoniseerd is met NEMA. 

Rekeninstrumenten: Voor de akkerbouw zijn de Nutriëntenbalans Akkerbouw en de Cool Farm Tool<sup>8</sup> voor de hand liggende tools om broeikasgassen te berekenen. In dit project is gekozen voor de Nutriëntenbalans. Aandachtspunt is wel dat de gehanteerde emissiekengetallen kunnen verschillen bij deze tools.


<sup>7 Neutral detergent fibre, een maat voor de hoeveelheid celwanden in voedermiddelen.</sup>

<sup>8 Benodigde primaire data staan in meer detail beschreven in het KringloopWijzer rekenregelrapport (Van Dijk et al., 2025).</sup>