---
title: "5.3 Referentiewaarden"
canonical: "https://wiki.groenkennisnet.nl/space/kpikll/531234864/5.3%20Referentiewaarden"
format: markdown
---
Referentiewaarden kunnen gebruikt worden om KPIscores te duiden: hoe verhoudt de score zich tot het huidige gemiddelde, tot waarden die in theorie gehaald kunnen worden of tot waarden die nodig zijn voor doelbereik? Zie voor uitleg paragraaf 3.3 van het hoofdrapport. 

In dit hoofdstuk worden de verschillende  referentiewaarden gepresenteerd: benchmarks waarbij de bedrijfswaarde wordt vergeleken met de prestaties van andere vergelijkbare bedrijven (zie ‘Informatienet-benchmarks’ en ‘Praktijkresultaten pilots’) en referentiewaarden op basis van theoretisch haalbare waarden (zie ‘Theoretisch haalbaar’). Tot slot wordt ingegaan op drempel- en streefwaarden die nodig zijn voor doelbereik (zie ‘Drempel- en streefwaarden doelbereik’). 

In de melkveehouderij worden op vrijwel alle Nederlandse melkveebedrijven broeikasgasemissies jaarlijks berekend met rekeninstrument KringloopWijzer (KLW). In KLW worden benchmarks gehanteerd op basis van grondsoort, intensiteit en gangbaar/biologisch, met in totaal 36 groepen (5 grondsoorten, 7 intensiteitsklassen, gangbaar/biologisch). De benchmarks zijn gebaseerd op de gemiddelden van de voorgaande 3 jaren van de 36 groepen bedrijven. Omdat benchmarks in KLW niet openbaar zijn, worden in ‘Informatienet-benchmarks’ alleen resultaten en benchmarks uit het Bedrijveninformatienet beschreven. 

Voor de akkerbouw is het werken met KPI’s en benchmarks nog geen gemeengoed. Voor akkerbouw (LCA-benadering) en de NIR-benadering (beide sectoren) loopt onderzoek naar geschikte benchmarks.

## Informatienet-benchmarks 

Het Bedrijveninformatienet is een netwerk met ongeveer 1.500 land- en tuinbouwbedrijven, representatief voor de Nederlandse agrarische sector. Tabel 2.1 geeft een beeld van de verdeling van de KPI-prestaties van akkerbouwen melkveebedrijven in BIN op basis van doorrekening met KringloopWijzer (versie 2024.10) en Nutriëntenbalans Akkerbouw voor de periode 2021-2023 (tabel 2.1). Hierbij zijn voor de melkveehouderij in BKG<sub>NIR-VELD</sub> ook CO<sub>2</sub>- en CH<sub>4</sub>-emissies uit veen meegenomen (vallen formeel onder NIR Landgebruik; in tekst hieronder aangegeven met asterisk: BKG<sub>NIR-VELD*</sub>). 

De resultaten van melkvee laten zien dat de spreiding rond BKG<sub>NIR-VELD*</sub> relatief groot is, en de spreiding rond BKG<sub>NIR-DSM</sub> relatief klein ten opzichte van BKG<sub>LCA</sub>. Dit wordt veroorzaakt door de hoge CO<sub>2</sub>-, CH<sub>4</sub>- en N<sub>2</sub>O-emissie bij bedrijven op veengrond als gevolg van veenoxidatie, methaan uit veenbodems en -sloten, stikstofmineralisatie en meer lachgasemissie bij Nbemesting, wat terugkomt in BKG<sub>NIR-VELD*</sub> en, meer verdund, in BKG<sub>LCA</sub> (tabel 2.2). Ook is de spreiding BKG<sub>NIR-VELD*</sub> daardoor groter bij melkvee dan in de akkerbouw (waar veengrond nauwelijks voorkomt) en ligt de gemiddelde emissie hoger dan de mediaan (scheve verdeling). Bij akkerbouw is dit verschil er niet; bij BKG<sub>NIR</sub> liggen het gemiddelde en de mediaan daarom dichter bij elkaar.

Naast verschillen veroorzaakt door veen, valt in tabel 2.2 verder op dat er weinig onderscheid is in BKG<sub>NIR-DSM</sub> tussen grondsoorten, en dat BKG<sub>NIR-VELD*</sub> lager is op zand dan op klei, waarschijnlijk door lagere N-bemesting en minder organische bodems op bedrijven op zand. De resultaten voor intensiteit laten zien dat BKG<sub>LCA </sub>lager is bij een hogere intensiteit, maar er geen duidelijk verband is tussen BKGNIR-DSM en intensiteit. Voor BKG<sub>NIRVELD*</sub> ligt de emissie iets lager bij extensieve bedrijven, waarschijnlijk door lagere N-bemesting. 

Onderstaande resultaten suggereren dat het voor de benchmarks van 2 KPI’s in de melkveehouderij relevant is om onderscheid te maken in grondsoort (mineraal vs. organisch). Dit vergt nadere uitwerking, welke in de aanbevelingen (hoofdstuk 0) verder wordt besproken.

![image-20260424-140018.png](media://14883d2f-08be-448c-9b42-b72e4696b505)

![image-20260424-140052.png](media://a7320067-f220-40ae-82f2-b9038d168d21)

![image-20260424-140124.png](media://519c5ae2-3cc8-44f9-a4eb-6cf6eb78ab96)

Voor akkerbouw geldt dat de gemiddelde BKG<sub>LCA</sub>-emissie hoger is bij een intensiever bouwplan, dus een hogere Standaardopbrengst (SO),<sup>10</sup> terwijl BKG<sub>NIR</sub> lager of gelijkwaardig is bij een intensiever bouwplan, zie tabel 2.3. Dit komt doordat bij BKG<sub>LCA</sub> emissies van inputs ook meetellen in de totale emissie, en BKGNIR niet, terwijl bij beide KPI’s de emissies door hetzelfde aantal hectares gedeeld worden.

## Praktijkresultaten pilots 

*Voor deze KPI is geen bruikbare pilotdata beschikbaar.*

## Theoretisch haalbaar 

Theoretisch mogelijke waarden weerspiegelen de best mogelijke prestatie op de KPI, nu en in de nabije toekomst. Het gaat er hierbij om wat technisch mogelijk is voor een geïsoleerde KPI, niet om wat economisch haalbaar is, en niet op systeemniveau in samenhang met andere KPI’s. Wel dient er nog een bedrijfsvoering te zijn die gericht is op een bepaalde mate van productie van gewassen of dieren. 

Bij het vertalen van beleidsdoelen voor diergerelateerde broeikasgassen naar bedrijfsdoelen is het ook van belang om een inschatting te maken van de verwachte ontwikkelingen in de omvang van de veestapel omdat een afname in het aantal dieren ook zorgt voor een daling van de emissie, waardoor de reductie-opgave voor de blijvers kan afnemen. 

*Melkveehouderij *

Recent hebben Migchels et al. (2025) een overzicht gemaakt van resultaten voor BKG<sub>NIR</sub> in de praktijk en in modelstudies, die een beeld geven van het reductiepotentieel van mitigatiemaatregelen, en hieronder worden samengevat. 

*Reducties in de praktijk *

In het project Netwerk Praktijkbedrijven werkten melkveehouders in projectverband aan emissiereductie op ammoniak én broeikasgassen, met een focus op kosteneffectieve managementmaatregelen. De reducties in broeikasgassen lagen in de ordegrootte van tussen de 1 tot 3% bij de stal- en opslagemissies en tussen de 6-14% bij de veldemissies. De gerealiseerde reductie in broeikasgassen was kleiner dan bij ammoniak, en er was veel variatie in de gerealiseerde reductie tussen individuele bedrijven. 

*Reducties in modelstudies *

In modelstudies met scenario’s die alleen managementmaatregelen in beschouwing nemen, was de gemiddelde emissiereductie 12% voor emissies in stal en opslag per fosfaatrecht en 24% voor veldemissies per ha (tabel 2.4). In scenario’s waarin naast managementmaat-regelen ook innovatieve staltechnieken werden meegenomen, lag deze reductie op maximaal respectievelijk 32% en 31%. In scenario’s die zowel managementmaatregelen als stalinnovatie als extensivering combineerden was er grote variatie in de uitkomsten, met een maximale emissiereductie van respectievelijk 43% en 51%. 

De auteurs geven aan dat de grote ranges in het technisch reductiepotentieel in de modelstudies komt door verschillen in uitgangssituatie, gehanteerde maatregelenpakketten en rekenwijzen. Hierdoor zijn de studies niet altijd even goed vergelijkbaar. Ook werd de vraag gesteld hoe dit soort scenario’s op grote schaal economisch aantrekkelijk zijn te maken. 

In een andere studie komen Ros et al. (2025) voor de veehouderij als geheel (rundvee, varkens en pluimvee) tot een theoretische maximale reductie van 72% voor methaan en 42% voor lachgas ten opzichte van 2019. Voor een praktisch realiseerbare reductie, waarbij alle landbouwbedrijven de best beschikbare technieken en maatregelen inzetten die binnen vijf jaar beschikbaar zijn of komen, wordt een reductie ingeschat van 27-48% (CH<sub>4</sub> en N2O) ten opzichte van 2019. 

*Akkerbouw *

Een recente modelstudie over de akkerbouw laat zien dat voor verschillende maatregelpakketen die variëren van ingrijpendheid van licht tot zwaar een broeikasgasreductie bereikt kan worden van 6% tot 23% ten opzichte van de toekomstige basis vastgesteld in de studie (Jongeneel et al., 2024). Voorbeelden van maatregelen die voorgesteld zijn in de studie zijn extensivering (meer rustgewassen) van het bouwplan en verlagen van het gebruik van meststoffen.

## Drempel- en streefwaarden voor doelbereik 

In het Beleidsprogramma Klimaat (2022) is voor de landbouw een indicatieve restemissie van circa 17,9 Mton CO<sub>2</sub>-equivalenten in 2030 vastgesteld, waarvan 13,6 Mton afkomstig uit de veehouderij en mestaanwending in de akkerbouw ([Kamerbrief over de Voorjaarsbesluitvorming Klimaat 2023](https://open.overheid.nl/documenten/ronl-77b639d132c52e5e1d75a36381fb6e60748ed8bb/pdf)).<sup> </sup>Dit is een reductie van iets minder dan 30% ten opzichte van 2018. Voor landgebruik geldt een restemissieopgave van 1,8 Mton CO<sub>2</sub>-equivalenten in 2030. Daarnaast heeft Nederland zich gecommitteerd aan de Global Methane Pledge, waarin het doel is om 30% minder methaan uit te stoten in 2030 ten opzichte van 2020. 

De overheid verkent nog hoe deze doelstellingen te concretiseren naar subsectoren binnen de landbouw (bijvoorbeeld melkvee, varkens en akkerbouw). Pas als daarin duidelijkheid wordt gegeven kunnen doelen worden vertaald naar te realiseren KPI scores op bedrijfsniveau om die doelen te halen. Een belangrijke factor hierin zal zijn hoe het aantal dieren zich ontwikkelt. Bij een grotere afname van dieraantallen is er minder reductie op de KPI-scores nodig. 

Wanneer gebruik wordt gemaakt van Informatienetwaarden als referentie voor huidige gemiddelden zou 30% reductie voor de melkveehouderij (dat wil zeggen, de landelijke opgave voor 2030) KPI BKG<sub>NIR-DSM</sub> neerkomen op (108*0,7=) ~75 kg CO<sub>2</sub>-eq. per fosfaatrecht. Zoals gezegd, is de streefwaarde op bedrijfsniveau echter afhankelijk van de ontwikkelingen in dieraantallen op sectorniveau. Voor veldemissies is de streefwaarde lastiger af te leiden omdat onderscheid gemaakt zou moeten worden naar grondsoort.

![image-20260424-140825.png](media://16206087-12b3-4e5c-a56b-945d5d698d9c)


<sup>10 Standaardopbrengst is een economische maat voor de omvang van agrarische bedrijven gebaseerd op de opbrengst die gemiddeld op jaarbasis per gewas wordt behaald.</sup>