---
title: "2.1 Data en berekeningswijze"
canonical: "https://wiki.groenkennisnet.nl/space/kpikll/518717518/2.1%20Data%20en%20berekeningswijze"
format: markdown
---
## Berekeningswijze en bestaande rekeninstrumenten

De ammoniakemissie wordt per bron berekend als het product van een hoeveelheid stikstof uit een bepaalde bron en een bijbehorende emissiefactor. Hieronder wordt de berekening toegelicht per stikstofbron. Daarna volgen een aantal voorbeeldberekeningen voor de verschillende KPI’s. 

### Excretie

Op melkveebedrijven is de belangrijkste organische meststroom de geproduceerde eigen mest. Omdat dit een interne stroom betreft binnen een melkveebedrijf, moet deze worden berekend. De volledige berekening is beschreven in Van Dijk et al. (2024). Globaal houdt de berekening in dat de bruto-excretie van totale stikstof wordt berekend als het verschil tussen de hoeveelheid N in het rantsoen en de afgevoerde hoeveelheid N met melk en dieren. Totaal stikstof bestaat uit totaal ammoniakaal stikstof (TAN) en totaal organische stikstof. Alleen de TAN-excretie is van belang voor de ammoniakemissie. Voor de berekening van de TAN-excretie wordt onderscheid gemaakt in een stal en weideperiode. De verdeling van de TAN-excretie over de stal en weide in de zomer gebeurt op basis van de uren die de dieren doorbrengen in de weide. Hierbij wordt verondersteld dat tijdens een uur beweiding evenveel mest wordt geproduceerd als tijdens een uur op stal en dat de hoeveelheid TAN in de mest niet varieert gedurende de dag. Voor de berekening van de fosfaatexcretie, als basis voor de fosfaatrechten, wordt op vergelijkbare wijze het verschil tussen totale fosfaatopname en fosfaatafvoer berekend.

### Berekening KPI Ammoniak veld

De veldemissie heeft alleen betrekking op de emissies die plaatsvinden in het veld, o.a. bij aanwending van meststoffen, en wordt berekend als de som van emissies uit kunstmest (NH<sub>3kunstmest</sub>), aangewende organische mest (NH<sub>3organische_mest</sub>), weide-excretie (NH<sub>3weide-excretie</sub>) en gewasresten (NH<sub>3gewasresten</sub>).

NH<sub>3kunstmest</sub> is het product van de totale hoeveelheid toegediende stikstof in kunstmest (N-totaal) en een kunstmestspecifieke emissiefactor. De emissiefactor varieert van 0% voor zuivere nitraatmeststoffen tot 14% voor sommige ureumsoorten. Voor de meest gebruikte KAS meststof is de emissiefactor 2,5%.

NH<sub>3organische_mest</sub> is het product van de toegediende TAN en een emissiefactor, die afhankelijk is van het type mest en de toedieningswijze. De emissiefactor varieert van 2% bij diepe injectie op bouwland tot bijna 70% bij boven-grondse toediening. Bij zodebemesting op grasland van niet bewerkte dunne rundermest is de emissiefactor 17%.

NH<sub>3weide-excretie</sub> is het product van TAN in uitgescheiden faeces en urine en een vaste emissiefactor van 4%.

NH<sub>3gewasresten</sub> is het product van de hoeveelheid stikstof-totaal in gewasresten en een gewasafhankelijke emissiefactor. De emissiefactor is afhankelijk van het type gewasrest en de mate waarin deze na de oogst wordt ingewerkt. Bij grasland wordt alleen gerekend met emissie uit maaiverliezen en uit verliezen bij het scheuren van grasland, waarbij een vaste emissiefactor geldt van 4,8%. Bij bouwland gelden gewas-specifieke emissiefactoren die variëren van 0,3% bij aardappelen tot 7,3% bij vlinderbloemigen zoals luzerne en rode klaver.

Bij de berekening van de emissie per ha wordt gedeeld door de oppervlakte van het totale bedrijf, inclusief bufferstroken.

### Berekening KPI Ammoniak stal & opslag 

NH<sub>3stal&opslag</sub> is het product van de TAN-productie die in stal & opslag terechtkomt en de emissiefactor van het stal- en opslagsysteem. Hierbij wordt rekening gehouden met omzettingen tijdens de opslag. Bij opslag van dunne mest wordt door middel van mineralisatie organische stikstof omgezet in TAN. Andersom wordt bij opslag van vaste mest door middel van immobilisatie TAN omgezet in organische stikstof. Ook wordt rekening gehouden met de verliezen uit externe opslagen en verliezen die gepaard gaan met mestbewerking op het bedrijf.

In de stalperiode is de emissiefactor van een standaardstal 14,3%. In de weideperiode varieert de standaardemissiefactor van 14,3% bij volledig opstallen tot 40,9% bij 20 uur weidegang per dag. De TAN-excretie in de stal is uiteraard lager naarmate er meer beweiding is. De emissiefactor van een specifieke stal wordt met behulp van de emissies conform RAV (Regeling Ammoniak en Veehouderij; tegenwoordig zijn de emissiefactoren voor stalsystemen onderdeel van de Omgevingsregeling) berekend met behulp van een correctiefactor ten opzichte van de standaardstal. In de RAV-tabel staan de emissies van alle staltypen. 

Bij de berekening van de emissies uit stal & opslag worden uitsluitend de dieren van de melkveetak (koeien, pinken, kalveren) meegenomen. De emissies van overige graasdieren (bijvoorbeeld schapen, geiten, paarden) of staldieren (bijvoorbeeld varkens, pluimvee) worden niet meegenomen. Voor de berekening van de emissie per grootvee-eenheid (GVE) geldt dat een melkkoe gelijk is aan 1 GVE, een pink 0,53 GVE en een kalf 0,23 GVE. Voor de berekening van fosfaatrechten wordt de fosfaatexcretie van het melkvee berekend. Vervolgens wordt rekening gehouden met een gemiddelde onderbenutting van 1,5% door de excretie te delen door 0,985.

### Voorbeeldberekeningen 

In tabellen 1.1 tot en met 1.4 zijn voorbeeldberekeningen weergegeven voor de verschillende ammoniak-KPI’s op een melkveebedrijf en akkerbouwbedrijf.

![image-20260423-114414.png](media://91767575-b6a9-4ae6-8431-6045e33ee846)

![image-20260423-114448.png](media://81b26e11-b019-4eeb-be9c-dc2de3334a67)

![image-20260423-114509.png](media://568ebc96-b1bf-431f-a1b6-13e05099bf9b)

![image-20260423-114611.png](media://eaa3c3ba-c6f0-48f6-9168-886a216f7461)

![image-20260423-114640.png](media://8226e2c1-9bb0-4dc5-9aa8-118359ac0daf)

### Rekeninstrumenten 

In de melkveehouderij maken vrijwel alle veehouders gebruik van de KringloopWijzer (KLW). Alle melkveebedrijven die leveren aan zuivelondernemingen gelieerd aan NZO (de Nederlandse Zuivel Organisatie) zijn verplicht de KLW in te vullen. De achterliggende rekenregels staan beschreven in Van Dijk et al. (2024). De KringloopWijzer omvat een rekenkern en een centrale dataopslagstructuur waarin de invoerdata van de melkveehouders zijn opgeslagen en van waaruit via de rekenkern de kengetallen en indicatoren worden berekend. Er zijn weliswaar andere instrumenten beschikbaar in de vorm van bedrijfsmanagement software, maar die kunnen op dit moment niet de volledige set van KPI’s berekenen zoals dat bij de KLW het geval is. 

Voor de akkerbouw is er niet een dergelijke structuur. Wel is de Nutriëntenbalans Akkerbouw (Gerritsen en Van Dijk, in voorbereiding) ontwikkeld voor berekening van N- en P-overschotten, NH3-N-emissie en broeikasgasemissies op akkerbouwbedrijven (Schröder en Rutgers, 2018). Deze tool is ook gebruikt voor de berekening van KPI’s in de KPI-akkerbouwpilots. Het betreft echter nog een Excel-model en er zou verdere doorontwikkeling moeten komen voor grootschalig gebruik in de akkerbouw. Op dit moment loopt er een initiatief, waarbij in overleg met onder andere sectorpartijen wordt nagegaan hoe dit zou kunnen worden vormgegeven. 

In de KPI-K-systematiek en de bestaande rekeninstrumenten wordt geen rekening gehouden met onzekerheden. In NEMA systematiek (Van Bruggen et al., 2023) bedragen de onzekerheidsschatting voor ammoniak 20% voor stallen, 57% voor mestopslagen, 31% voor mesttoediening, 36% voor kunstmest en 53% voor beweiding. Deze schatting combineert onzekerheden in activiteitendata en onzekerheden in emissiefactoren ten behoeve van nationale schatting. Dit is niet direct vertaalbaar naar onzekerheden op bedrijfsniveau, maar over het algemeen zal de onzekerheid groter worden bij berekeningen op bedrijfsniveau.

## Benodigde data en bronnen, inclusief bestaande datasystemen

### Data 

De databehoefte op akkerbouwbedrijven is relatief gering omdat de emissies beperkt zijn tot veldemissies. In de melkveehouderij is de databehoefte relatief groot omdat de interne stikstofstromen van dier naar gewas, en andersom, in beeld moeten zijn voor de juiste berekening van de emissies. Tabel 1.5 geeft weer welke data nodig zijn om ammoniakemissie te berekenen voor akkerbouw en melkveehouderij.

### Datasystemen 

In de melkveehouderij worden veel data opgeslagen in de Centrale Database Kringloopwijzer. Na machtiging van de melkveehouder worden relevante data van RVO, voer- en mestleveranciers, melkafnemers en onderzoekslaboratoria automatisch gekoppeld aan bedrijf of percelen. Daarnaast zijn nog handmatig aangevulde data nodig over managementkeuzes zoals beweiding, verdeling dierlijke mest, bouwplan, of herinzaai grasland.

In de akkerbouw is er geen centrale databank. Alle gegevens dienen ingevoerd te worden door boer of adviseur, onder andere uit het bedrijfsmanagementsysteem en afvoer- en aanvoerbonnen over gewasopbrengsten, aanvoer kunstmest, verdeling dierlijke mest of compost. Data over geteelde gewassen en aanvoer dierlijke mest zijn al geregistreerd bij RVO.