---
title: "1.2 Impact en handelingsperspectief"
canonical: "https://wiki.groenkennisnet.nl/space/kpikll/518651908/1.2%20Impact%20en%20handelingsperspectief"
format: markdown
---
Figuur 3.1 en tabel 3.1 geven een overzicht van een aantal maatregelen die het N-bodemoverschot kunnen verlagen. Hieronder volgt een toelichting. 

*Melkveehouderij en akkerbouw *

Verlaging van het N-bodemoverschot is mogelijk door de aanvoer te verlagen en/of de afvoer te verhogen. Verlaging van de aanvoer loopt vooral via verlaging van de N-aanvoer met meststoffen. Vaak zal eerst worden gekeken naar verlaging van de kunstmestaanvoer. Dat is mogelijk via een efficiënte toediening onder andere met precisietechnieken al dan niet op basis van gewas- en bodemmonitoring. Ook een optimale toediening van organische mest kan leiden tot minder kunstmestgebruik, zeker wanneer rekening gehouden wordt met N-nalevering uit ondergewerkte vanggewassen/groen-bemesters en gewasresten (onder andere gescheurd grasland, bietenblad). Ook een juiste verhouding tussen gebruik van organische mest en kunstmest kan bijdragen aan een hoger benutting en ook de verdeling van organische mest over de gewassen in het bouwplan kan hieraan bijdragen. Tenslotte kan ook een hogere N-opname-efficiency van het gewas (bijvoorbeeld door betere rassen) de benodigde input van meststoffen en daarmee het N-bodemoverschot verlagen. 

De inzet van vlinderbloemigen verlaagt het meststof-N-gebruik, maar de vraag is of daarmee ook het N-bodemoverschot wordt verlaagd. De vlinderbloemige bindt N uit de lucht en dat is ook een input op de bodembalans. 

Een derde aanpak die zowel invloed kan hebben op de N-aanvoer als de N-afvoer is aanpassing cq. optimalisering van het bouwplan en de gewasrotatie. Er zijn verschillen in N-bodemoverschot tussen gewassen. Ook de gewasvolgorde speelt een rol. Hierbij kan gedacht worden aan de afwisseling van diep en ondiep wortelende gewassen op gronden waar een diepe beworteling mogelijk is (onder andere lössgrond). In een dergelijke situatie is een diepwortelend gewas nog in staat N die bij het voorgaande gewas is achtergebleven op te nemen. Ook in wisselbouwsystemen speelt de gewasvolgorde een rol bij de benutting van de vrijgekomen stikstof na het scheuren van het gras. 

Verhoging van de N-afvoer is lastiger te beïnvloeden, maar de grote variatie in N-afvoer tussen bedrijven laat zien dat hier mogelijkheden liggen tot verbetering. Deels hangt deze af van de groeiomstandigheden. Beïnvloeding is mogelijk door een optimale gewas- en bodemverzorging.  

*Melkveehouderij *

Op melkveebedrijven kunnen ook maatregelen worden genomen die de uitscheiding van N verlagen (onder andere eiwitarm voeren en hogere dierefficiency (deel van de door het dier opgenomen N dat in het dierlijke product terechtkomt)). Deze maatregelen leiden doorgaans niet tot minder mest-N-aanvoer naar de bodem (wel tot minder mestafvoer van het bedrijf), tenzij er door deze maatregel minder mest-N wordt toegediend dan de gebruiksnorm. Het N-bodemoverschot wordt er daardoor minder door beïnvloed. Wel kan er enig effect zijn via een lagere NH<sub>3</sub>-N-emissie bij mesttoediening, waardoor het N-bodemoverschot stijgt. 

Minder beweiding kan het N-bodemoverschot verlagen, doordat in de stal opgevangen mest efficiënter kan worden benut door het gewas. Hierdoor is er minder kunstmest nodig of bij een gelijkblijvend gebruik zal de afvoer met gewas gaan stijgen. 

![Slide1-20260422-235530.jpg](media://3eac08ae-42df-40e9-ae7e-3b935785582a)

![image-20260326-145936.png](media://d149f111-9c80-479a-8c70-d17cbdddfdaf)

## Neveneffecten

Maatregelen om het N-bodemoverschot te verminderen kunnen zowel gewenste als ongewenste neveneffecten hebben. Hieronder worden beide toegelicht. 

*Positief *

Minder broeikasgasemissies Broeikasgasemissies, zoals koolstofdioxide, methaan en lachgas, dragen bij aan de opwarming van de aarde. Het sturen op een lager N-bodemoverschot kan in veel gevallen leiden tot een lagere aanvoer van N met meststoffen. Dit resulteert in lagere directe lachgasemissies uit de bodem bij gebruik van meststoffen en lagere indirecte lachgasemissies onder andere door lagere nitraatverliezen. Daarnaast kan er een effect zijn op de indirecte broeikasgasemissies voor productie van kunstmest, indien een lager N-bodemoverschot mede een gevolg is van een lager kunstmestgebruik, en er geen afwenteling heeft plaatsgevonden naar ammoniak. 

*Minder ammoniakemissies*

Als verlaging van het N-bodemoverschot leidt tot verlaging van de aanvoer van N met meststoffen zal, afhankelijk van het NH<sub>3</sub>/NH<sub>4</sub>-N gehalte van de gebruikte meststoffen, ook de aanvoer met NH<sub>3</sub>/NH<sub>4</sub>-N met meststoffen dalen. Hierdoor dalen ook de risico’s van ammoniakemissies bij toediening. 

*Verhoging biodiversiteit *

Indien door verlaging van het N-bodemoverschot de N-belasting naar het oppervlaktewater afneemt, kan dit gunstig zijn voor de ecologische toestand van het water. Deze is echter wel van meer factoren afhankelijk dan alleen het N-gehalte. Als verlaging van het N-bodemoverschot een gevolg is van verlaging van de aanvoer van organische mest daalt ook de organische stofaanvoer. Dit kan ongunstig zijn voor de ondergrondse biodiversiteit door minder aanbod van voedsel voor bodemorganismen. Dit treedt op in bodems met een laag organische stofgehalte; een situatie die in Nederland weinig voorkomt. Dit moet echter wel binnen de totale aanvoer van organische stof op een bedrijf worden bekeken. 

*Schaarse grondstoffen *

Als verlaging van het N-bodemoverschot leidt tot een efficiënter gebruik van N-meststoffen, leidt dit tot een verlaagd gebruik van schaarse grondstoffen, zoals energie nodig voor de productie van kunstmest-N. 

*Negatief*

*Lagere organische stofvoorziening *

Het sturen op een laag N-bodemoverschot kan leiden tot een lagere aanvoer van organische stof, bijvoorbeeld indien een lager N-bodemoverschot (deels) wordt gerealiseerd door een verlaging van de organische mestaanvoer. Dit moet echter wel worden bezien in het plaatje van de totale organische stofsituatie op het bedrijf als ook het gewenste gehalte aan organische stof in de bodem.

Andersom zal het verhogen van de organische stof aanvoer naar de bodem doorgaans ook leiden tot een hogere N-aanvoer naar de bodem, omdat in veel gevallen de koolstofaanvoer is gekoppeld aan de N-aanvoer. Bovendien is de extra aangevoerde N deels aanwezig in de organische vorm, die met name bij bouwlandgewassen door het relatief korte periode van actieve N-opname minder efficiënt wordt benut dan N in minerale vorm. Hierdoor zal verhoging van de organische stofaanvoer doorgaans leiden tot een hoger N-bodemoverschot, zolang de stikstofdynamiek niet is verdisconteerd in de berekening van de streefwaarden voor deze KPI.

## Sociaal-economische effecten 

*Positief* 

In zowel de melkveehouderij als de akkerbouw zijn besparingen mogelijk op de aankoop van kunstmest, en zijn er mogelijkheden om via goed beheer van bodem, gewassen en meststoffen de opbrengst te verhogen bij gelijkblijvende of bij lagere N-bemesting. 

*Negatief *

In zowel de melkveehouderij als de akkerbouw kan verlagen van de N-aanvoer leiden tot productie- of kwaliteitsverlies van gewassen als er niet integraal is nagedacht over de N-stromen op het bedrijf en de aanwezige bottlenecks die gewasproductie belemmeren. Op melkveebedrijven kan dit leiden tot hogere voeraankopen of een lagere melkproductie. Ook kunnen bepaalde maatregelen kosten met zich meebrengen zoals de inzaai vanggewassen