---
title: "1.5 Verfijningsopties"
canonical: "https://wiki.groenkennisnet.nl/space/kpikll/518619147/1.5%20Verfijningsopties"
format: markdown
---
Hieronder worden een aantal opties voor verdere verfijning van de berekening van het N-bodemoverschot besproken. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen verbetering van inschatting van balansposten enerzijds en mogelijkheden voor verbetering van de systematiek anderzijds. 

### Verbetering inschatting balansposten 

*Afvoer met oogstproduct *

Bij oogstproducten op akkerbouwbedrijven wordt uitgegaan van gewasspecifieke forfaitaire N-gehalten. Onderzoek heeft laten zien dat de variatie binnen een gewas aanzienlijk kan zijn (De Ruijter et al., 2019). Bij een aantal gewassen worden door verwerkers bepalingen gedaan aan het oogstproduct waaruit een N-gehalte zou kunnen worden afgeleid. Voorbeelden hiervan zijn eiwitgehalte van tarwe en brouwgerst en het alfa-amino-N-gehalte bij suikerbieten. Een stap verder is dat het N-gehalte wordt gemeten van afgevoerde oogstproducten. 

*Mineralisatie *

Op dit moment wordt voor de veenmineralisatie een vaste waarde gebruikt van 235 kg N per ha per jaar. Mogelijk kan dit bedrijfsspecifieker worden gemaakt door rekening te houden met de ontwateringsstatus. 

Ook op minerale gronden kan worden nagegaan of met behulp van een modelberekening een verandering in N-bodemvoorraad kan worden gekwantificeerd. Dit gebeurt bijvoorbeeld al in de KringloopWijzer waarin de koolstofmineralisatie wordt berekend met het model RothC (Coleman en Jenkinson, 2014) en via een C/N-verhouding ook de verandering van de N-voorraad in de bodem wordt berekend (Van Dijk et al., 2025). 

*Ammoniakemissie *

De ammoniakemissie bij toediening van organische mest is mede afhankelijk van het NH<sub>3</sub>-N-gehalte van de organische mest. Bij de verplichte mestanalyse bij mesttransporten wordt alleen het N-totaal-gehalte bepaald en niet het NH<sub>3</sub>-N-gehalte. Daarom wordt in de berekening van de NH<sub>3</sub>-N-emissie meestal gewerkt met een forfaitair aandeel NH<sub>3</sub>-N in de totale N gebaseerd op gemiddelde gehalten zoals weergegeven in het bemestingsadvies.<sup>9</sup> Hierbij wordt weliswaar wel rekening gehouden met verschillen tussen mestsoort, maar ook binnen mestsoorten is er een behoorlijke variatie. Daarom zou meting van het NH<sub>3</sub>-N-gehalte een zinvolle aanvulling kunnen zijn. 

De ammoniakemissie wordt mede bepaald door de pH van de mest. Met name wanneer mest is aangezuurd (chemisch of biologisch) zal de emissiefactor lager zijn. Door de pH te meten bij de toediening zou dit kunnen worden verdisconteerd in de emissiefacor. 

Ook verdere differentiatie naar kunstmestsoort is een optie, mede in combinatie met grondsoort. Met name op kalkrijke gronden zijn de risico’s van gebruik van ureum- en ammoniumhoudende meststoffen het grootst. 

*N-binding vlinderbloemigen *

Op dit moment worden vaak vaste waarden gebruikt voor de N-binding met vlinderbloemigen. Nagegaan zou kunnen worden of dit kan worden verbeterd onder andere door de N-binding te relateren aan de gewasopbrengst of in geval van vlinderbloemige groenbemesters te relateren aan het inzaaitijdstip. 

*Uitbreiding N-balans met aanvoer met uitgangsmateriaal en hulpmaterialen *

In de N-balans wordt de aanvoer met uitgangsmateriaal en hulpmaterialen niet meegenomen. Bij uitgangsmateriaal zou vooral kunnen worden gekeken naar de aanvoer met pootgoed van aardappelen. Hiermee wordt naar schatting 5-15 kg N per ha aangevoerd per ha aardappelen. Op bedrijven met veel aardappelen zou dit een zinvolle aanvulling kunnen zijn. 

Bij hulpmaterialen gaat het bijvoorbeeld om dekstro, dat in een aantal gevallen wordt gebruikt bij de teelt van bloembollen en winterpeen. Op akkerbouwbedrijven is het echter meestal een kleine post. 

### Verbetering systematiek 

*Meting mineraal N-residu *

Binnen het mestbeleid worden de mogelijkheden van doelsturing verkend, waarbij de boer onder voorwaarden een uitzondering kan krijgen op een deel van de generieke maatregelen uit het 8<sup>e</sup> actieprogramma Nitraatrichtlijn (onder andere uiterlijk inzaaitijdstip van een vanggewas en verplichte rotatie met rustgewassen).<sup>10</sup> Een belangrijke pijler hierbij is het meten van het minerale N-residu in de herfst als indicator voor de nitraatuitspoeling naast het berekende N-bodemoverschot. Het minerale N-residu kan mogelijk als verfijningsoptie van het N-bodemoverschot worden gebruikt (of eventueel als alternatief), maar deze optie is nog in onderzoek. 

*Totaal of werkzame N *

Een verder aandachtspunt is dat N-bodemoverschot de totale hoeveelheid aangevoerde N omvat, inclusief organische N. Deze organische N komt deels in het jaar van gebruik vrij en deels in de jaren erna. Alleen wanneer de jaarlijkse aanvoer van organische N (via organische mest en gewasresten) in evenwicht is met de jaarlijkse afbraak van organische N (uit in de jaren ervoor toegediende organische mest en gewasresten en de organische stof in de bodem) zal het N-bodemoverschot het beste relateren aan de hoeveelheid uitgespoelde N. Bij verandering van bouwplan of verandering van organische mestgebruik zal zich eerst weer een nieuw evenwicht moeten instellen. Opties zijn het werken met een werkzaam N-bodemoverschot in plaats van een totaal N-bodemoverschot, zoals gedaan in het uitspoelingsmodel voor lössgronden (Ros et al., 2018), of het opnemen van een extra aan- of aanvoerpost bij verandering van de N-bodemvoorraad. 


<sup>9 </sup>[http://www.bemestingsadvies.nl](http://www.bemestingsadvies.nl)<sup> </sup>  
<sup> </sup>[http://www.handboekbodemenbemesting.nl](http://www.handboekbodemenbemesting.nl)<sup> </sup>

<sup>10 </sup><sup>[Concept 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn 2026-2029 | Rapport | Rijksoverheid.nl](https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2025/07/14/concept-8e-actieprogramma-nitraatrichtlijn-juli-2025)</sup>