---
title: "1.4 Vereenvoudigingsopties"
canonical: "https://wiki.groenkennisnet.nl/space/kpikll/518586377/1.4%20Vereenvoudigingsopties"
format: markdown
---
Hieronder worden vereenvoudigde opties voor berekening van het N-bodemoverschot weergegeven. Het voordeel van de vereenvoudigde methoden is dat ze minder complex zijn, dat ze relatief lage administratieve kosten met zich meebrengen en dat ze relatief makkelijk zijn te borgen. Het nadeel is dat ze minder rekening houden met de variatie in bedrijfsvoering waardoor het geen recht doet aan de werkelijke prestatie van een bedrijf. 

Er zijn drie vereenvoudigingsopties weergegeven: volledig forfaitair, verfijnd forfaitair en via een bedrijfsbalans.  

Benadrukt moet worden dat het slechts gaat om globale voorbeelden. In opdracht van het ministerie van LVVN worden deze vereenvoudigingsopties verder verkend. 

**Volledig forfaitair** 

De berekening van het N-bodemoverschot vindt plaats op basis van de grootte en samenstelling van de veestapel (in de melkveehouderij), de grondsoort, en de oppervlakte per gewascategorie. Het bodemoverschot is dan uitsluitend gedifferentieerd naar veebezetting en gewas. Er wordt geen rekening gehouden met de specifieke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf. Er wordt uitgegaan van forfaitaire netto-N-excretienormen per diersoort en een forfaitaire gewas-N-afvoer. Ook de N-aanvoer met organische mest en kunstmest wordt forfaitair berekend. Wat betreft organische mest wordt op melkveebedrijven de plaatsingsruimte volledig benut en op akkerbouwbedrijven wordt uitgegaan van een gemiddelde aanvoer gebaseerd op data van praktijkbedrijven. De aanvoer van kunstmest-N is dan gelijk aan de gebruiksnorm voor totale N minus de wettelijke werkzame N uit organische mest. De aanvoer via depositie en veenmineralisatie wordt ook meegenomen. De NH<sub>3</sub>-N-emissie wordt volledig forfaitair berekend (zie KPI Ammoniak (NH<sub>3</sub>), vereenvoudigingsoptie 1). 

De volledig forfaitaire optie biedt weinig zicht op de bedrijfsspecifieke prestatie. Het geeft echter wel een standaardwaarde als er geen bedrijfsinformatie beschikbaar is. 

**Verfijnd forfaitair** 

Deze optie is vergelijkbaar met optie 1, maar nu worden bepaalde posten van de N-bodembalans wat specifieker ingeschat op basis van eenvoudig beschikbare aanvullende bedrijfskenmerken die gerelateerd zijn aan het N-bodemoverschot (via regressie vastgesteld). Voorbeelden specifiek voor de melkveehouderij zijn stalsysteem-afhankelijke netto-N-excretie, melkureum en melkproductie afhankelijke netto-N-excretie, het toepassen van weidegang (wel of niet, los van de duur) als maat voor de berekende N-aanvoer met kunstmest en de forfaitaire gewasopname. Voor zowel melkveehouderij als akkerbouw kan gedacht worden aan geregistreerde hoeveelheden aangevoerde en afgevoerde mest en gebruik van het areaal vlinderbloemigen als maat voor N-aanvoer via biologische binding. Evenals bij de volledig forfaitaire optie wordt de N-aanvoer met depositie en veenmineralisatie meegenomen. De NH<sub>3</sub>-N-emissie wordt verfijnd forfaitair berekend op basis van bovengenoemde kenmerken (zie KPI Ammoniak (NH<sub>3</sub>), vereenvoudigingsoptie 2). 

Bij de verfijnd forfaitaire optie wordt meer rekening gehouden met de werkelijke bedrijfsprestatie dan bij de volledig forfaitaire optie. De waarde ervan hangt wel af hoe betrouwbaar de verschillende bedrijfskenmerken het N-bodemoverschot voorspellen. 

**Bedrijfsbalans** 

Via registratie van aanvoer, afvoer en voorraad-veranderingen van voer, organische mest, kunstmest, melk, dieren en oogstproducten op het bedrijf wordt een bedrijfsbalans berekend (zie ook kader hieronder). Ook hier wordt de N-aanvoer via depositie, veenmineralisatie en N-binding met vlinderbloemigen meegenomen. Het N-bodemoverschot wordt vervolgens berekend door de deels forfaitair berekende ammoniak-N-emissies (zie KPI  Ammoniak (NH<sub>3</sub>), vereenvoudigingsoptie 3) van het N-bedrijfsoverschot af te trekken. 

Bij de bedrijfsbalansoptie worden de aan- en afvoerposten bedrijfsspecifiek berekend conform [1.1 Data en berekeningswijze. ](https://wiki-groenkennisnet.atlassian.net/wiki/spaces/kpikll/pages/518258697)De ammoniakemissie is wel deels forfaitair berekend. Op bedrijven waar de ammoniakemissie relatief laag is (onder andere akkerbouwbedrijven) kan dit mogelijk een goede basis zijn. 

> ℹ️ ## N-bedrijfsoverschot
> ℹ️ 
> ℹ️   
> ℹ️ Stikstofverliezen kunnen op verschillende manieren worden berekend en vastgesteld. Onderstaand plaatje geeft schematisch weer welke stikstofverliezen plaatsvinden op een landbouwbedrijf met zowel dierlijke als plantaardige productie (zoals een melkveebedrijf). Het plaatje laat zien dat er meerdere verliesroutes zijn van stikstof die allemaal op  
> ℹ️ een verschillende manier impact hebben. De oranje blokjes dragen bij aan biodiversiteitsverlies in natuurgebieden via depositie, de gele blokjes dragen bij aan klimaatverandering en de blauwe blokjes dragen bij aan biodiversiteitsverlies via eutrofiering van grond- en oppervlaktewater.
> ℹ️ 
> ℹ️ ![Slide1-20260329-215242.jpg](media://cfc4ade8-1157-4258-ad28-efe55d337632)
> ℹ️ 
> ℹ️ Bij het stikstofbedrijfsoverschot wordt alleen het totale stikstofverlies berekend zonder de afzonderlijke verliesroutes in beeld te brengen. Dit in tegenstelling tot het N-bodemoverschot waarbij alleen gekeken wordt naar de N-verliezen die in de bodem plaatsvinden (nitraatuitspoeling en gasvormige verliezen via denitrificatie, blokje rechtsboven in de figuur).  
> ℹ️ Voor de berekening van het N-bedrijfsoverschot hoeven alleen de aan- en afvoer van het bedrijf (inclusief voorraadmutaties) in beeld te worden gebracht. Dit kan gedaan worden op basis van registraties van aan- en afvoer van het bedrijf. Het is niet nodig om specifieke emissies te berekenen en ook de interne kringloop (voerproductie en voeropname) hoeft niet berekend te worden. Hierdoor zijn er veel minder onzekere datapunten in de berekening dan wanneer de verliesroutes wel gespecifieerd worden. Het zou een start kunnen zijn voor een kwantificering van de N-verliezen. Het nadeel van het hanteren van het bedrijfsoverschot is dat niet duidelijk kan worden gemaakt wat de specifieke bijdrage van het bedrijf aan verschillende emissie- en waterkwaliteitsdoelen is. Bovendien kan een laag bedrijfsoverschot nog steeds betekenen dat een bepaalde verliespost (te) hoog is. Een laag bedrijfsoverschot hoeft niet te betekenen dat alle verliezen evenredig laag zijn.