---
title: "1.3 Referentiewaarden"
canonical: "https://wiki.groenkennisnet.nl/space/kpikll/518357002/1.3%20Referentiewaarden"
format: markdown
---
Referentiewaarden kunnen gebruikt worden om KPI scores te duiden: hoe verhoudt de score zich tot het huidige gemiddelde, tot waarden die in theorie gehaald kunnen worden of tot waarden die nodig zijn voor doelbereik? Zie voor uitleg paragraaf 3.3 van het hoofdrapport.   

In dit hoofdstuk worden de verschillende referentiewaarden gepresenteerd: benchmarks waarbij de bedrijfswaarde wordt vergeleken met de prestaties van andere vergelijkbare bedrijven. Maar er kan ook direct vanuit doelwaarden voor waterkwaliteit een toelaatbaar N-bodemoverschot worden afgeleid. Voor het N-bodemoverschot worden beide opties hieronder toegelicht. Voor de benchmarks is uitgegaan van resultaten uit het Bedrijveninformatienet (BIN)<sup>11</sup> waarin het N-bodemoverschot is berekend voor de deelnemende melkveehouderij- en akkerbouwbedrijven (zie ‘Informatienet-benchmarks’ en ‘Praktijkresultaten pilots’) en referentiewaarden op basis van theoretisch haalbare waarden (zie ‘Theoretisch haalbaar’). Tot slot wordt ingegaan op drempel- en streefwaarden die nodig zijn voor doelbereik (zie ‘Drempel- en streefwaarden doelbereik’).   

## Informatienet-benchmarks 

In de melkveehouderij wordt op vrijwel alle Nederlandse melkveebedrijven stikstofoverschot jaarlijks berekend met rekeninstrument KringloopWijzer (KLW). In KLW worden benchmarks gehanteerd op basis van grondsoort, intensiteit en gangbaar/biologisch, met in totaal 36 groepen (5 grondsoorten, 7 intensiteitsklassen, gangbaar/biologisch). De benchmarks zijn gebaseerd op de gemiddelden van de voorgaande 3 jaren van de 36 groepen bedrijven. Omdat benchmarks in KLW niet openbaar zijn worden in deze paragraaf alleen resultaten en benchmarks uit het Bedrijveninformatienet beschreven. 

De benchmarks geven een beeld van de verdeling van de prestaties van de Informatienet-bedrijven in de melkveehouderij en akkerbouw (tabel 2.1). In tabel 2.1 is onderscheid gemaakt naar grondsoort en intensiteit van de bedrijven (alleen voor gemiddelde waarden). Voor melkveebedrijven is daarbij uitgegaan van drie klassen van melkproductie per ha en bij de akkerbouw van drie klassen van Standaardopbrengst (SO/ha). Dit is een maat voor de economische omvang van het bedrijf die niet alleen het areaal, maar ook de geldopbrengst per gewas meeneemt. 

De berekende N-bodemoverschotten zijn berekend zoals beschreven in [1.1 Data en berekeningswijze](https://wiki-groenkennisnet.atlassian.net/wiki/spaces/kpikll/pages/518258697). Meer informatie over verloop van het N-bodemoverschot kan worden gevonden via Agrimatie.<sup>12</sup>

Het gemiddelde N-bodemoverschot op melkveebedrijven is 154 kg per ha. De 25%, 50% en 75% percentielen zijn respectievelijk 95, 146 en 193 kg per ha (tabel 2.1). Het gemiddelde N-bodemoverschot is op zand/löss het laagst en op veen het hoogst (tabel 2.2). Bij de veenbedrijven is het N-bodemoverschot inclusief de mineralisatie door afbraak van veen van 235 kg per ha. De lagere N-bodemoverschotten bij zand zullen waarschijnlijk deels ook samenhangen met de lagere bemestingsruimte door strengere gebruiksnormen dan op klei en veen. Verder is het N-bodemoverschot in het algemeen hoger bij een hogere melkproductie per ha. Dit effect is op de kleibedrijven wat duidelijker dan op de zand- en veenbedrijven. 

Het gemiddelde N-bodemoverschot op akkerbouw-bedrijven is 120 kg per ha. De 25%, 50% en 75% percentielen zijn respectievelijk 67, 119 en 167 kg per ha (tabel 2.1). Het gemiddelde N-bodemoverschot op zand, klei en löss is respectievelijk 99, 132 en 81 kg per ha (tabel 2.2). Ook voor akkerbouwbedrijven geldt dat het lagere N-bodemoverschot op zandbedrijven waarschijnlijk deels wordt veroorzaakt door lagere gebruiksnormen dan op kleigrond. Er is geen duidelijk verband tussen de intensiteit van de bedrijven (uitgedrukt in SO/ha) en het N-bodemoverschot.  

In het algemeen zijn de N-bodemoverschotten op melkveebedrijven hoger dan op akkerbouwbedrijven. De aanvoer van kunstmest en dierlijke mest en de afvoer van stikstof met het geoogste gewas kunnen zeer verschillend zijn op grasland en bouwland. 

![image-20260326-151135.png](media://9088b6b7-a57d-47cc-881f-e1d70d5eaeb4)

![image-20260330-063153.png](media://fbe59fdf-b105-449d-be22-a232f3cc6b24)

![image-20260330-064102.png](media://b93c46ce-cc6a-4b51-a00c-86c44965e260)

## Praktijkresultaten pilots 

In het kader van het KPI-K-project zijn in 2022 en 2023 diverse pilots uitgevoerd met groepen boeren waarin op basis van de bedrijfsregistraties het N-bodemoverschot is berekend. De resultaten zijn in figuur 2.1 weergegeven voor zowel de pilots in de melkveehouderij als die in de akkerbouw. Ook zijn de benchmarkwaarden weergegeven (rode blokjes). 

In het algemeen zijn de gemiddelde N-bodemoverschot-ten in de akkerbouw lager dan in de melkveehouderij. Tussen de akkerbouwgroepen is er een behoorlijke variatie die wordt veroorzaakt door onder andere verschillen in organische mest-N-aanvoer en door verschillen in bouwplansamenstelling. Uit analyse is gebleken dat op de akkerbouwbedrijven vooral de organische mest-N-aanvoer een belangrijke verklarende factor was voor verschillen in N-bodemoverschot. Ook binnen de groepen was de variatie groot. 

Op de melkveebedrijven was de variatie tussen de groepen geringer, maar binnen de groepen was ook hier forse variatie. 

## Theoretisch haalbaar 

Theoretisch mogelijke waarden weerspiegelen de best mogelijke prestatie op de KPI, nu en in de nabije toekomst. Het gaat er hierbij om wat technisch mogelijk is voor een geïsoleerde KPI, niet om wat economisch haalbaar is, en niet op systeemniveau in samenhang met andere KPI’s. Wel dient er nog een bedrijfsvoering te zijn die gericht is op een bepaalde mate van productie van gewassen of dieren. 

Uit de analyse van de pilots bleek dat de meest bepalende factor voor verklaring van verschillen in ` `  
N-bodemoverschot tussen bedrijven de hoogte van de aanvoer met N uit meststoffen is. In theorie kan met een sterk verlaagde N-aanvoer met meststoffen of zelfs een nulbemesting het N-bodemoverschot worden verlaagd naar 0 of zelfs negatief worden. Dit heeft wel gevolgen voor de gewasproductie. Bovendien zal een dergelijke strategie ook leiden tot lange termijneffecten op de ` `  
N-bodemlevering, omdat er minder organische stof wordt aangevoerd.  

In het project Planty Organic wordt bij een 6-jarige rotatie met biologische akkerbouw- en groentegewassen geen N uit meststoffen aangevoerd. De N-voorziening verliep volledig via binding door vlinderbloemigen en vrijkomende N uit op het eigen bedrijf geteelde maaimeststoffen en groenbemesters (Van der Burgt et al., 2017). Het berekende N-overschot bedroeg 32 kg N per ha (2012-2016), waarbij de aanvoer enkel bestond uit binding door vlinderbloemigen (68 kg N per ha) en depositie (28 kg N per ha). 

 Een benadering kan ook zijn om te kijken wat met een vergaand management mogelijk is. Ros et al. (2025) hebben gekeken naar theoretische maximale reductie van het N-bodemoverschot via een betere bemestingspraktijk, gewasmanagement en bodembeheer. Zij concludeerden dat het N-bodemoverschot met circa 40% kon worden verlaagd en de N-verliezen naar grond- en oppervlakte-water met 39-46%. Als dit percentage wordt toegepast op de gemiddelde benchmarkwaarden voor de melkvee- en akkerbouwbedrijven zou dit leiden tot een N-bodem-overschot van respectievelijk 110 en 75 kg N per ha.  

Op proefbedrijf Vredepeel wordt systeemonderzoek uitgevoerd in een akkerbouwrotatie met groenten (De Haan et al., 2018) waarin zo scherp mogelijk wordt bemest. Het gemiddelde N-bodemoverschot bedroeg 89 en 102 kg N per ha in de periode 2011-2016, maar varieerde tussen de jaren van 43 tot 127 kg N per ha. Op melkveeproefbedrijf De Marke op zandgrond werd in de periode 2020-2023 een N-bodemoverschot van ` `  
94 kg N per ha gerealiseerd, op de Koeien & Kansen bedrijven was in dezelfde periode het N-bodemoverschot 150 kg N per ha. 

## Drempel- en streefwaarden doelbereik 

Vanuit waterkwaliteitsdoelen voor N (maximaal toelaatbare gehalten in grond- en oppervlaktewater) zijn er opties om vanuit deze doelen een toelaatbaar ` `  
N-bodemoverschot af te leiden per bedrijf, zoals dat is voorgesteld door Ros et al. (2023). Wat betreft grondwaterkwaliteit zou kunnen worden uitgegaan van de systematiek van uitspoelfracties zoals afgeleid door het RIVM (Brussée et al., 2024). Hiermee kan vanuit een streefwaarde voor het N-gehalte het hiermee corresponderende toelaatbare N-bodemoverschot worden berekend via: 

Toelaatbaar N-bodemoverschot (kg/ha) = (NGEH<sub>sw</sub> * NO)/(UF * 100) 

Waarbij: 

NGEH<sub>sw</sub> = streefwaarde N-gehalte (mg/l) 

NO = gemiddeld neerslagoverschot (mm) 

UF = uitspoelfractie, fractie van N-bodemoverschot dat uitspoelt 

In tabel 2.3 zijn ter illustratie voor een aantal situaties de waarden gegeven voor UF, NO en bijbehorend toelaatbaar N-bodemoverschot bij een nitraatgehalte van 50 mg per liter in het uitspoelwater. Er zijn uitspoel-fracties afgeleid voor grondsoortregio’s (bovenste deel tabel 2.3) en voor zandgrond ook per grondwatertrap (GT) (onderste deel tabel 2.3). Bij de gemiddelde uitspoelfracties per grondsoortregio is niet gecorrigeerd voor de aanwezigheid van andere grondsoorten dan de hoofdgrondsoort op de meetbedrijven binnen het Landelijk Meetnet Effecten Mestbeleid (LMM). Op zandbedrijven zijn bijvoorbeeld ook moerige/venige gronden en kleigronden aanwezig. Er zijn inmiddels ook uitspoelfracties voor de afzonderlijke zandgebieden (hier niet weergegeven). Bij de GT-specifieke uitspoelfracties voor zandgrond is gecorrigeerd voor de aanwezigheid moerige en venige gronden (niet voor aanwezigheid van kleigrond). 

Het algemene beeld is dat voor grasland de uitspoel-fracties veel lager zijn dan voor bouwland. Dit leidt ertoe dat op grasland de toelaatbare N-bodemoverschotten aanzienlijk hoger zijn dan voor bouwland (zie tabel 2.3). Verder zijn er duidelijke grondsoortverschillen, op veen en klei zijn de uitspoelfracties in het algemeen hoger dan op zand- en lössgrond. Verder is op drogere zandgronden de uitspoelfractie hoger dan op nattere zandgronden (vergelijk GT VII met GT IV in tabel 2.3). 

Benadrukt moet worden dat deze relaties zijn afgeleid op regionaal niveau. Vanwege de grote variatie in de relatie tussen het N-bodemoverschot en het N-gehalte in het uitspoelwater, kunnen deze relaties niet zo maar worden toegepast om op bedrijfs- of perceelsniveau vanuit het ` `  
N-bodemoverschot het nitraatgehalte te voorspellen (Noij en Ten Berge, 2018). Anderzijds kan er wel op gebieds- en bedrijfsniveau een toelaatbaar N-bodemoverschot worden afgeleid waarmee op gebiedsniveau de doelen voor de Nitraatrichtlijn worden gerealiseerd. 

Eventuele verfijningen zijn mogelijk door na te gaan of uitspoelfracties meer verder kunnen worden gedifferentieerd naar bouwlandgewas, zoals gedaan in het uitspoelingsmodel voor lössgronden ontwikkeld door Ros et al. (2018). 

Een dergelijke benadering zou in theorie ook mogelijk moeten zijn voor *oppervlaktewater*. De vertaling van normen voor oppervlaktewater naar bedrijfsdoelen is echter lastiger dan voor grondwater, omdat hierbij meerdere bronnen een rol spelen, zoals inlaat van water van buitenaf en lozing door rioolwaterzuiverings-installaties (RWZI’s). Wel zou als insteek kunnen worden genomen dat in gebieden waar de N-belasting de beperkende factor is voor de ecologie, het N-gehalte in het uitspoelwater niet hoger zou mogen zijn dan het maximaal toelaatbare N-gehalte. Dit maximale toelaatbare N-gehalte zou per polder of stroomgebied kunnen worden afgeleid van bestaande watersysteem-analyses (van waterschappen) of worden afgeleid van de landelijke modellen voor waterkwaliteit. Gezien de complexiteit van de rol van stikstof voor de water-kwaliteit is het gebruik van hiervan voor de ontwikkeling van streefwaarden voor het bodemoverschot complex, en is mogelijk het beter om te sturen op kennis en maatregelen om het risico van afspoeling te beperken via de vier juistheden van bemesting (juiste meststof, juiste hoeveelheid, juiste tijdstip, juiste plaats). Mogelijk kan een grondsoort- en gewasafhankelijke relatie worden opgesteld tussen het bodemoverschot en de totale N-belasting naar het oppervlaktewater; hiermee wordt direct gestuurd op een ecologische sleutelfactor (de belasting) in plaats van het stikstofgehalte (dat beïnvloed wordt door de ecologie zelf). 

![image-20260330-064645.png](media://a75bd093-c92a-4f7e-ac7a-601ec6b7f661)


<sup>11 Hoewel de afkorting ‘BIN’ in figuren wordt gebruikt, schrijven we in de lopende tekst de volledige naam uit of </sup>  
<sup>‘Informatienet’.</sup>

<sup>12 </sup>[https://agrimatie.nl/lmm/onderwerpen/overschotten/](https://agrimatie.nl/lmm/onderwerpen/overschotten/)<sup> </sup>