---
title: "1.1 Data en berekeningswijze"
canonical: "https://wiki.groenkennisnet.nl/space/kpikll/518258697/1.1%20Data%20en%20berekeningswijze"
format: markdown
---
## Berekeningswijze en bestaande rekeninstrumenten 

Het N-bodemoverschot wordt berekend door de totale N-aanvoer en N-afvoer op het bedrijf (kg) van elkaar af te trekken. Als de KPI wordt uitgedrukt per ha worden de totalen op bedrijfsniveau gedeeld door het bedrijfs-oppervlak. In tabel 1.1 is weergegeven hoe het N-bodemoverschot wordt berekend en welke posten worden meegenomen in de berekening op melkvee-houderij- en akkerbouwbedrijven. De berekeningswijze is grotendeels gelijk voor beide bedrijfstypen, alleen is er voor melkveebedrijven een extra aanvoerpost met weidemest (in de weide uitgescheiden urine en feces) en een extra afvoerpost met door vee opgenomen gras tijdens beweiden. De N in het oogstproduct is inclusief N in afgevoerde bijproducten (zoals stro) of gewasresten. Op akkerbouwbedrijven kunnen de balansposten veel directer worden berekend dan op melkveebedrijven, omdat daar ook interne stromen moeten worden berekend (zie ook ‘Benodigde data en bronnen, inclusief bestaande datasystemen’ hieronder).  

Zoals aangegeven in tabel 1.1 is de NH<sub>3</sub>-N-emissie in het veld een afvoerpost, omdat deze N door vervluchtiging niet in de bodem terechtkomt. De overige gasvormige N-verliezen vanuit de bodem (N<sub>2</sub>O, NO<sub>x</sub> en N<sub>2</sub>) zitten wel in het N-bodemoverschot, omdat deze microbiële omzettingen in de bodem plaatsvinden. Deze gasvormige verliezen vormen het deel van het N-bodemoverschot dat niet via uitspoeling verloren gaat ([zie verder 1.3 Referentiewaarden](https://wiki-groenkennisnet.atlassian.net/wiki/spaces/kpikll/pages/518357002)). 

![image-20260326-141306.png](media://9477be9f-0ee5-433f-a2d4-953ba40105ac)

### Tools voor berekening van het N-bodemoverschot 

In de melkveehouderij maken vrijwel alle veehouders gebruik van de KringloopWijzer.<sup>4</sup> Alle melkveebedrijven die leveren aan zuivelondernemingen gelieerd aan NZO (de Nederlandse Zuivel Organisatie) zijn verplicht de KringloopWijzer in te vullen. De achterliggende rekenregels staan beschreven in Van Dijk et al. (2025). De KringloopWijzer omvat een rekenkern en een centrale dataopslagstructuur waarin de invoerdata van de melkveehouders zijn opgeslagen en van waaruit via de rekenkern de kengetallen en indicatoren (waaronder het N-bodemoverschot) worden berekend. 

 Voor de akkerbouw is er niet een dergelijke structuur beschikbaar. Wel is de Nutriëntenbalans Akkerbouw ontwikkeld voor berekening van N- en P-overschotten, NH<sub>3</sub>-N-emissie en broeikasgasemissies op akkerbouwbedrijven (Schröder en Rutgers, 2018). Deze tool is ook gebruikt voor de berekening van KPI’s in de KPI-akkerbouwpilots (zie hoofdrapport hoofdstuk 6 en bijlage met rekenregels voor meer informatie daarover). Ook is deze rekenwijze geïntegreerd in de online en open source adviestool voor de pilot Maatwerkaanpak.<sup>5</sup> Verdere doorontwikkeling is gewenst vanwege gebruikersgemak en databeschikbaarheid. Op dit moment lopen er diverse initiatieven om de tool beschikbaar te maken voor praktijktoepassing. Ten slotte is er ook op Farmmaps<sup>6</sup> een app beschikbaar die voor akkerbouwbedrijven diverse KPI’s uitrekent, waaronder het N-bodemoverschot. 

## Benodigde data en bronnen, inclusief bestaande datasystemen

###  Berekening balansposten en benodigde data 

In tabel 1.2 is weergegeven welke bedrijfsdata nodig zijn om het N-bodemoverschot te kunnen berekenen. Hieronder volgt per balanspost een toelichting. 

*Aanvoer van organische mest *

Op zowel melkvee- als akkerbouwbedrijven zijn per organische mestsoort de aangevoerde en afgevoerde hoeveelheden en het totaal N-gehalte daarin nodig. Bij aan- en afvoer wordt standaard het N-gehalte bepaald (is een verplichting vanuit de meststoffenwet). Naast de aanen afvoer is informatie nodig over eventuele voorraadmutaties, zodat het verbruik kan worden berekend in het betreffende jaar. 

Op melkveebedrijven is de belangrijkste organische meststroom de *geproduceerde eigen mest*. Omdat dit een interne stroom betreft binnen een melkveebedrijf moet deze worden berekend. De volledige berekening is beschreven in Van Dijk et al. (2025). Globaal houdt de berekening in dat de hoeveelheid N in de geproduceerd dierlijke mest wordt berekend als het verschil tussen enerzijds de hoeveelheid N in het rantsoen en anderzijds de afgevoerde hoeveelheid N met melk en dieren en de gasvormige N-verliezen in de stal en opslag. De gasvormige N-verliezen zijn dus een afvoerpost en zitten niet in het N-bodemoverschot. Het rantsoen wordt berekend op basis van de hoeveelheid verbruikt kuilvoer (aanleg gecorrigeerd voor voorraadmutaties), de hoeveelheid opgenomen weidegras en de hoeveelheid verbruikt aangevoerd (kracht)voer (aanvoer gecorrigeerd voor voorraadmutaties). De N-afvoer met melk wordt berekend als product van de hoeveelheid afgevoerde melk en het gemeten N-gehalte daarin. De hoeveelheid N in afgevoerde dieren vindt plaats via forfaits per diersoort. Bij de gasvormige N-verliezen in stal en opslag is zo veel mogelijk uitgegaan van de berekeningswijze conform NEMA (Van Bruggen et al., 2024). Hierbij wordt rekening gehouden met het staltype, de mestsoort, eventuele mestbewerking en beweiding. 

*Aanvoer van kunstmest *

Op zowel melkvee- als akkerbouwbedrijven zijn per kunstmestsoort de aangevoerde en afgevoerde hoeveelheden en het totaal N-gehalte daarin nodig. Naast de aan- en afvoer is informatie nodig over voorraadmutaties, zodat het verbruik kan worden berekend in het betreffende jaar. Op dit moment wordt voor de akkerbouw gewerkt met een groslijst met NPK-gehalten van in Nederland beschikbare kunstmeststoffen. Voor melkveebedrijven komen de geleverde hoeveelheden kunstmest per soort met de betreffende gehalten aan N, P<sub>2</sub>O<sub>5</sub>, K<sub>2</sub>O, CaCO<sub>3</sub> en MgCO<sub>3</sub> in de centrale database van de KringloopWijzer terecht. Dit gebeurt door de leverancier. 

*Depositie* 

Om depositie te bepalen worden berekende regiospecifieke waarden gebruikt. Dit kan bijvoorbeeld op het niveau van de provincie of zelfs per km<sup>2</sup> gridcel.<sup>7</sup>  

*N-binding vlinderbloemigen*

N-binding uit vlinderbloemigen betreft de biologische binding van luchtstikstof door vlinderbloemige gewassen die zowel in het oogstproduct als de gewasrest terechtkomt. Bij monoculturen zoals veldbonen, erwten en luzerne wordt gewerkt met vaste waarden per ha gewas. De geschatte waarden zijn mede gebaseerd op Schröder et al. (2004). Door deze gewasspecifieke vaste waarden te vermenigvuldigen met het gewasareaal kan de totale hoeveelheid gebonden N op het bedrijf worden uitgerekend. Bij grasklaver wordt de binding geschat op basis van het klaveraandeel in geoogste hoeveelheid gras en klaver (Elgersma en Hassink, 1997; Schils, 2002). 

*Mineralisatie*

Mineralisatie betreft de extra N die vrijkomt als gevolg van afbraak van veen. Hiervoor wordt een vaste waarde gebruikt van 234 kg N per ha die is gebaseerd op Kuikman et al. (2005). Voor minerale gronden wordt op dit moment geen netto-mineralisatie (of nettovastlegging) meegenomen. Hierop wordt in [1.5 Verfijningsopties](https://wiki-groenkennisnet.atlassian.net/wiki/spaces/kpikll/pages/518619147) verder ingegaan. De mineralisatie van N uit gewasresten die na de oogst van het gewas achterblijven is geen aanvoerpost, maar een interne stroom. Hiermee kan wel rekening worden gehouden door aanpassing van de N-bemesting van het volggewas, waardoor het N-bodemoverschot daalt.

 *Afvoer met geoogst product* 

Op akkerbouwbedrijven wordt de N-afvoer met geoogst product bepaald door de behaalde opbrengst te vermenigvuldigen met een gewasspecifiek forfaitair N-gehalte (De Ruijter et al., 2020; [www.handboekbodemenbemesting.nl](http://www.handboekbodemenbemesting.nl)), waarbij er bij een aantal gewassen ook nog een relatie is tussen het opbrengstniveau en het N-gehalte. De opbrengsten zijn vaak niet op perceelsniveau bekend, maar wel is bekend hoeveel er totaal is afgevoerd van een oogstproduct. Hieruit kan per gewas een bedrijfsafvoer per ha gewasareaal worden berekend. Niet voor alle gewassen die in BasisRegistratie Percelen (BRP) worden onderscheiden zijn forfaitaire N-gehalten bekend. In dat geval zal moeten worden teruggevallen op een vergelijkbaar gewas waarvan wel een forfaitair N-gehalte bekend is. 

Op melkveebedrijven is de berekening complexer, omdat het geproduceerde voer een interne stroom is. Voor het kuilvoer wordt deze geschat door het meten van de kuilomvang. Via het gemeten N-gehalte uit de kuilanalyse kan de hoeveelheid N in het geproduceerde kuilvoer worden berekend. Bij beweiding moet ook een schatting worden gedaan van de opgenomen hoeveelheid opgenomen gras en de N daarin. Deze wordt berekend op basis van de totale energiebehoefte (VEM) van de veestapel (onder andere afhankelijk van diersoort, melkproductie per koe en mate van beweiding) en de energie in verbruikt kuilvoer en verbruikt aangekocht voer. Het verschil moet dan de energie zijn in verbruikt weidegras. Deze wordt dan via een VEM/ N-verhouding omgerekend naar de hoeveelheid N in opgenomen weidegras. Wanneer op melkveebedrijven akkerbouwgewassen worden geteeld, gaat de berekening voor deze gewassen zoals bij akkerbouwbedrijven. 

Op zowel melkvee- als akkerbouwbedrijven kan er ganzenvraat zijn. Op melkveebedrijven wordt in de KringloopWijzer hiervoor gecorrigeerd. De grasopname door de ganzen wordt bepaald door taxatie. De N-excretie door ganzen wordt berekend op basis van de gemiddelde graastijd en de excretie van N in die tijd (Van Dijk et al., 2025). Een dergelijke rekenregel zou ook voor akkerbouwbedrijven kunnen worden ontwikkeld.

![image-20260326-144913.png](media://c295aabe-d93d-4f48-ab5d-5eed0f1c5b72)

*NH*<sub>*3*</sub>*-N-emissie in het veld *

De NH<sub>3</sub>-N-emissie in het veld is de som van de NH<sub>3</sub>-N-emissie bij toediening van organische mest en kunstmest en de emissie uit gewasresten. 

Bij toediening van organische mest wordt de emissie berekend op basis van de aangevoerde hoeveelheid NH<sub>3</sub>-N en de toegepaste toedieningstechniek op het bedrijf of perceel. De aangevoerde NH<sub>3</sub>-N wordt berekend door de totale N-aanvoer te vermenigvuldigen met het aandeel NH<sub>3</sub>-N (fractie van N-totaal). Op melkveebedrijven wordt het NH<sub>3</sub>-N-gehalte in de mest in de KringloopWijzer berekend op basis van het rantsoen en de gasvormige verliezen in de stal en opslag. Bij aangevoerde organische mest (onder andere akkerbouwbedrijven) is het NH<sub>3</sub>-N-gehalte doorgaans niet bekend. In dat geval wordt meestal gewerkt met een forfaitair aandeel NH<sub>3</sub>-N in de totale N gebaseerd op gemiddelde gehalten van organische mestsoorten zoals weergegeven in het bemestingsadvies.<sup>8</sup> Door gebruik van bedrijfsspecifieke informatie kan dit nauwkeuriger worden vastgesteld. Wat betreft de toedieningstechniek wordt gebruikgemaakt van emissiefactoren van de afzonderlijke toedieningstechnieken conform het landelijke emissiemodel NEMA (Van Bruggen et al., 2024), waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen grasland en bouwland (zoals opgegeven bij de meitelling). Dit betekent dat de toedieningstechniek bekend moet zijn. 

Voor kunstmest wordt uitgegaan van emissiekengetallen per kunstmestsoort volgens NEMA, waarbij het aantal categorieën beperkt is tot circa 25 kunstmestsoorten (Van Bruggen et al., 2024). De kunstmestsoorten die niet in deze lijst staan worden gekoppeld aan de best passende categorie. 

Voor gewasresten wordt uitgegaan van gewasspecifieke emissiefactoren zoals afgeleid door De Ruijter en Huijsmans (2019). 

## Voorbeeldberekening

 In tabel 1.3 is een voorbeeldberekening toegevoegd van het N-bodemoverschot.

![image-20260326-145207.png](media://184e42f9-1da1-498e-a09b-ce8c077a34be)

### Datasystemen 

In de melkveehouderij worden veel data opgeslagen in de Centrale Database KringloopWijzer. Na machtiging van de melkveehouder worden relevante data van RVO, voer- en mestleveranciers, melkafnemers en onderzoekslaboratoria automatisch gekoppeld aan bedrijf of percelen. Daarnaast zijn nog handmatig ingevulde data nodig over managementkeuzes zoals beweiding, verdeling dierlijke mest, bouwplan of herinzaai van grasland. 

In de akkerbouw is er geen centrale databank. Alle gegevens dienen ingevoerd te worden door de boer of de adviseur, waarbij gebruik kan worden gemaakt van bedrijfsmanagementsystemen (met daarin onder andere de geregistreerde bemestingen met organische mest en kunstmest en opbrengsten van de geteelde gewassen, met wisselende kwaliteit qua betrouwbaarheid) en aanen verkoopbonnen van kunstmest en verkochte oogstproducten. Alle basisgegevens voor aan- en afvoer van geoogste producten en meststoffen staan ook geregistreerd bij accountantsbureaus. Data over de arealen van de geteelde gewassen en aanvoer dierlijke mest zijn al geregistreerd bij RVO.


<sup>4 </sup><sup>[www.mijnkringloopwijzer.nl](http://www.mijnkringloopwijzer.nl/)</sup>

<sup>5 </sup>[https://www.lto.nl/pilot-maatwerkaanpak-nitraatrichtlijn-van-start](https://www.lto.nl/pilot-maatwerkaanpak-nitraatrichtlijn-van-start)<sup>  </sup>

<sup>6 </sup>[https://www.farmmaps.net/nl](https://www.farmmaps.net/nl)

<sup>7 GDN/GCN site van het RIVM: </sup>[https://www.rivm.nl/gcn-gdn-kaarten/depositiekaarten](https://www.rivm.nl/gcn-gdn-kaarten/depositiekaarten)<sup>  </sup>

<sup>8 </sup><sup>[www.bemestingsadvies.nl](http://www.bemestingsadvies.nl/)</sup><sup>; </sup>  
   <sup>[www.handboekbodemenbemesting.nl](http://www.handboekbodemenbemesting.nl/)</sup><sup> </sup>