---
title: "11.1.2 Impact en handelingsperspectief"
canonical: "https://wiki.groenkennisnet.nl/space/kpikll/511279167/11.1.2%20Impact%20en%20handelingsperspectief"
format: markdown
---
De maatregelen waarmee boeren de score op de KPI kunnen beïnvloeden zijn voor de hand liggend: bouwplanverruiming (dus meer verschillende gewastypen in het bouwplan) zorgt voor een hogere score op de KPI Gewasdiversiteit. In theorie zorgt bouwplanverruiming mogelijk ook voor een ruimere gewasrotatie (gewasdiversiteit in de tijd), waardoor bodemgebonden ziektes en plagen kunnen afnemen, plantgezondheid kan toenemen en mogelijk minder inputs nodig zijn. Bouwplanverruiming kan ook zorgen voor risicospreiding op het bedrijf, waardoor een bedrijf iets beter klimaatbestendig kan worden en mogelijk minder water vraagt. Afhankelijk van de typen gewassen en de landschappelijke context kunnen hiermee soorten van de Vogel- en Habitatrichtlijn ondersteund worden en aanvullend op de groenblauwe dooradering, en diversiteit op landschapsschaal worden gerealiseerd. Naast bouwplanverruiming kan het opdelen van percelen in kleinere deelpercelen of strokenteelt, of het toepassen van mengteelten zorgen voor meer variatie in het bouwplan.

Een belangrijke disclaimer hierbij is dat het bevorderen van biodiversiteit met name plaatsvindt door toename van extensieve (maai)gewassen in het bouwplan, granen, peulvruchten, bloeiende gewassen en rustgewassen. Maar een toename van verschillende rooigewassen draagt bij aan een hogere score op de KPI. Bouwplanverruiming kan ook betekenen dat er meer intensieve gewassen in het bouwplan terecht komen. Of dit dus daadwerkelijk tot een hogere biodiversiteit en andere samenhangende doelen leidt, is niet met zekerheid te zeggen. Een grotere gewasdiversiteit kan soms ook betekenen dat er gewassen in het bouwplan komen die heel ziektegevoelig zijn of meer bemesting of grondbewerkingen vragen, of waarbij bijvoorbeeld de inzet van gewasbeschermingsmiddelen stijgt. Denk aan de lelieteelt: dit gewas kan op een bedrijf zorgen voor een grotere gewasdiversiteit, maar de teelt ervan zorgt niet voor een verbetering van de biodiversiteit, vanwege de inzet van gewasbeschermingsmiddelen. Deze afwenteling zou zichtbaar moeten worden in slechtere scores op bijvoorbeeld de KPI Milieubelasting gewasbeschermingsmiddelen.

Omdat het niet alleen gaat om het aantal gewastypen, maar ook om het aandeel van die gewassen in het bouwplan, zal de KPI Gewasdiversiteit vooral toenemen als extra gewastypen ook een evenredig aandeel in het bouwplan innemen. Het verkleinen van percelen in meerdere kleine percelen of bijvoorbeeld het toepassen van strokenteelt zorgen voor een hogere score op de randdichtheid.

Het is belangrijk om te realiseren dat het verhogen van de gewasdiversiteit een grote impact kan hebben op het verdienmodel van de akkerbouwer. Het bouwplan op akkerbouwbedrijven is in de praktijk vaak afgestemd op de afzet van producten in de regio en het saldo. Het handelingsperspectief van de akkerbouwer voor deze KPI’s wordt dus mede bepaald door de (on)mogelijkheden die samenhangen met de context van het bedrijf (locatie, financiering, saldo’s en opbrengsten). Rooigewassen leveren doorgaans meer op dan maaigewassen. En voor sommige gewassen is er in bepaalde regio’s nauwelijks afzet. Denk bijvoorbeeld aan een gewas als luzerne dat óf door groenvoerdrogerijen wordt geoogst, óf direct naar een veehouder kan gaan. Voor sommige gewassen is het nodig om te investeren in ketenontwikkeling voor een goede afzet en mechanisatie die past bij het nieuwe gewas. Voor ondernemers die zich in een bepaalde teelt hebben gespecialiseerd, betekent een grotere gewasdiversiteit dat zij deze investering minder snel zullen terugverdienen. Meer verschillende gewassen en kleinere percelen zorgen ervoor dat het werk minder efficiënt kan worden uitgevoerd.

De KPI Natuur en Landschap en de KPI Agrarisch natuurbeheer zijn complementair aan de KPI Gewasdiversiteit. Gezamenlijk bepalen deze of een bedrijf goede voorwaarden schept voor biodiversiteit.  
Biodiversiteit bevorderen kan maar tot zekere zin op bedrijfsschaal, omdat veel soorten een grotere habitat hebben. De effectiviteit van de maatregelen op bedrijfsniveau hangen dus samen met wat er op gebiedsniveau passend is en al aanwezig is of niet.

Met het vergroten van de gewasdiversiteit en randdichtheid op een bedrijf, nemen mogelijk ook de plantgezondheid, afhankelijkheid van inputs en adaptatie aan klimaat toe en kunnen Vogel- en Habitatrichtlijn soorten worden ondersteund. Dat hangt echter wel sterk af van welke gewassen zorgen voor een grotere gewasdiversiteit. Onderin figuur 3.1 staan mogelijke maatregelen om de gewasdiversiteit te vergroten en hoe deze maatregelen kunnen doorwerken in de bedrijfsvoering van een akkerbouwbedrijf met voordelen en nadelen.

![Slide10.jpg](media://1cdcd716-db11-4965-a1b6-36d1a6cab5b6)