---
title: "9.3 Referentiewaarden"
canonical: "https://wiki.groenkennisnet.nl/space/kpikll/509706255/9.3%20Referentiewaarden"
format: markdown
---
Referentiewaarden kunnen gebruikt worden om KPI scores te duiden: hoe verhoudt de score zich tot het huidige gemiddelde, tot waarden die in theorie gehaald kunnen worden of tot waarden die nodig zijn voor doelbereik? Zie voor uitleg paragraaf 3.3 van het hoofdrapport. 

In dit hoofdstuk worden de verschillende  referentiewaarden gepresenteerd: benchmarks waarbij de bedrijfswaarde wordt vergeleken met de prestaties van andere vergelijkbare bedrijven (zie ‘Informatienet-benchmarks’ en ‘Praktijkresultaten pilots’) en referentiewaarden op basis van theoretisch haalbare waarden (zie ‘Theoretisch haalbaar’). Tot slot wordt ingegaan op drempel- en streefwaarden die nodig zijn voor doelbereik (zie ‘Drempel- en streefwaarden doelbereik’). 

## Informatienet-benchmarks 

In de melkveehouderij wordt op vrijwel alle Nederlandse melkveebedrijven het Aandeel blijvend grasland jaarlijks berekend met rekeninstrument KringloopWijzer (KLW). In KLW worden benchmarks gehanteerd op basis van grondsoort, intensiteit en gangbaar/biologisch, met in totaal 36 groepen (5 grondsoorten, 7 intensiteitsklassen, gangbaar/biologisch). De benchmarks zijn gebaseerd op de gemiddelden van de voorgaande 3 jaren van de 36 groepen bedrijven. Omdat benchmarks in KLW niet openbaar zijn worden in deze paragraaf alleen resultaten en benchmarks uit het Bedrijveninformatienet beschreven. Met informatie uit het Bedrijveninformatienet<sup>4</sup> is voor alle KPI’s over de periode 2021-2023 de gemiddelde KPIscore berekend per grondsoort en intensiteit van de landbouwbedrijven (tabel 2.1). Voor de melkveehouderij is het percentage blijvend grasland het laagste op zand/lössgrond, en bedrijven onder intensief beheer scoren het allerlaagst met 49% blijvend grasland. Op veen liggen de scores het hoogst. Bij de akkerbouw is de bodembedekking juist het hoogst bij de zandgrondbedrijven. Deze scores zijn niet verrassend en komen overeen met standaard bouwplannen op deze grondsoorten.

## Praktijkresultaten pilots 

De score voor de KPI Bodembedekking is bepaald voor akkerbouwbedrijven en melkveebedrijven in verschillende pilots in 2022 en 2023. Alleen de pilots waarbij voor 10 of meer bedrijven de KPI-scores zijn bepaald, staan weergegeven in figuur 2.1 en figuur 2.2. Voor de akkerbouw zijn de scores berekend met het rekensysteem waarvan na de eerste beknopte validatie duidelijk werd dat hier nog fouten in zitten. De scores zijn dus alleen op grote lijnen indicatief en de uitschieters (stippen) moeten nader onderzocht worden. De scores in de akkerbouwpilots Zuidwestelijke Delta en Drenthe liggen gemiddeld tussen de 40 en 60% (% van het jaar bodembedekking met rustgewassen inclusief groenbemesters), met daaromheen een grotere spreiding tussen de 30-70%. De scores in Limburg lagen gemiddeld iets hoger, tussen de 50 en 70%, met een spreiding tot 90%. De Informatienetbenchmarkbedrijven scoren ook gemiddeld tussen ongeveer 45 en 70%.

Het percentage blijvend grasland in de melkveehouderij ligt bij de GLB-pilots gemiddeld hoger, tussen ongeveer 50 en 85%, terwijl het in de Achterhoek tussen circa 40 en 70% ligt. De Informatienet-benchmarkbedrijven kwamen meer overeen met de GLB-pilotbedrijven.

![image-20260506-143056.png](media://859b6d42-f3b6-4e73-a0ef-5878bcc62e00)

![2026-002-9 Figuur 2.1_boxplot_Bodembedekking_rustgewassen_groenbemesters_Akkerbouw.jpeg](media://be865c05-2d0a-40c5-86ae-c82839629c77)

![2026-002-9 Figuur2.2_boxplot_Blijvend_grasland_Melkvee.jpg](media://6ca01aa1-e132-4d40-81cc-69ef53168460)

## Theoretisch haalbaar 

Theoretisch mogelijke waarden weerspiegelen de best mogelijke prestatie op de KPI, nu en in de nabije toekomst. Het gaat er hierbij om wat technisch mogelijk is voor een geïsoleerde KPI, niet om wat economisch haalbaar is, en niet op systeemniveau in samenhang met andere KPI’s. Wel dient er nog een bedrijfsvoering te zijn die gericht is op een bepaalde mate van productie van gewassen of dieren.

De score van de KPI Bodembedekking betreft het percentage van het jaar dat de bodem bedekt is met rustgewassen (akkerbouw), en het percentage (%) blijvend grasland ten opzichte van het productief bedrijfsareaal. De theoretisch maximaal haalbare score is dus 100%, en in theorie zou dit behaald kunnen worden wanneer het gehele bedrijfsareaal van melkveehouderij met blijvend grasland is gevuld, en in de akkerbouw wanneer er jaarronde bedekking met een rustgewas is (zoals bijvoorbeeld meerjarige grasklaverteelt of tijdelijk grasland). Voor de akkerbouw is dit echter een zeer onrealistisch scenario. Een akkerbouwbedrijf heeft altijd meerdere, en vooral eenjarige gewassen. Een continue bodembedekking is daarbij niet mogelijk. Tussen zaai en opkomst van het gewas en groenbemester (met substantiële bodembedekking) zit altijd een aantal weken tijd. Een iets realistischer theoretisch haalbare score voor de akkerbouw zou zo’n 90% zijn, waarbij er 5 à 6 weken van het jaar geen bodembedekking is. Bij de melkveehouderij komen wel bedrijven voor die 100% blijvend grasland hebben, vooral in de veenweidegebieden en op zware klei.

## Drempel- en streefwaarden voor doelbereik 

Het beleidsdoel ‘alle landbouwbodems duurzaam beheerd’ is geen kwantitatief doel. Drempel- en streefwaarden voor doelbereik van dit beleidsdoel zijn daarom ook niet concreet te bepalen. Ook vanuit de wetenschappelijke literatuur zijn er geen duidelijke streefwaardes in beeld voor ‘duurzaam bodembeheer’. Wel bestaan er drempel- of streefwaardes voor de maatregelen die relevant zijn in deze KPI-invulling, die zijn geformuleerd vanuit andere beloningssystemen. Deze zouden als eerste uitgangspunt gebruikt kunnen worden voor het opstellen van in ieder geval de minimale drempelwaardes.

Bijvoorbeeld, voor de GLB-eco-regeling rustgewassen moet minstens eenmaal in de drie jaar een rustgewas als hoofdteelt geteeld worden. Als je dit naar bedrijfsareaal vertaalt, betekent dat op minimaal 33% van het productief areaal een rustgewas. Als we ervan uitgaan dat de duur van een rustgewas zo’n 7 maanden is, betekent dat een bedekking van ongeveer 60% van het jaar met een rustgewas. Zestig procent van het jaar bodembedekking op 33% van het productief areaal, resulteert in een KPI-score van ongeveer 20%. Dit is een vrij lage en weinig ambitieuze drempel. De meeste telers in Nederland zullen ook minstens 1 keer in hun rotatie en groenbemester telen, waardoor de drempelwaarde al meer richting de 25-30% zou kunnen stijgen. De resultaten van de pilotprojecten laten zien dat verreweg de meeste akkerbouwers al boven de 40% scoren, dus dit zou ook een reële drempelwaarde kunnen zijn.

Binnen het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid bestaat ook [een instandhoudingsplicht voor het areaal blijvend grasland ten opzichte van het referentiejaar 2018](https://www.rvo.nl/onderwerpen/glb-2024/conditionaliteiten). In Nederland is ongeveer 42% van het landbouwareaal blijvend grasland. Tot en met 2027 mag het percentage blijvend grasland in Nederland niet meer dan 5% dalen ten opzichte van 2018. Van het totale graslandareaal in Nederland (962.000 ha in 2024, persoonlijke communicatie Marleen Zanen RVO) is ongeveer 70% blijvend grasland (Ministerie van LVVN, 2025). Uit de eerste pilotresultaten (figuur 2.2) zijn behoorlijke regionale verschillen te zien in het aandeel blijvend

rasland per bedrijf, en ook in de meeste regio’s een behoorlijke spreiding tussen de bedrijven. Op veengronden en zware klei ligt het percentage blijvend grasland vaak hoger dan op zandgronden. In de biodiversiteitsmonitor akkerbouw is voorgesteld om als drempelwaarde de (toen) huidige aandeel blijvend gras aan te houden, gedifferentieerd per bodemtype, namelijk klei (73%), veen (79%), en zand+löss (56%) (van Doorn et al., 2019). In Van Eekeren et al., (2015) is een indeling gemaakt voor streefwaardes in 4 ambitieniveaus: nul (50-60%), basis (60-70%), beter (70-80%) en best (>80%).


<sup>4 Hoewel de afkorting ‘BIN’ in figuren wordt gebruikt, schrijven we in de lopende tekst de volledige naam uit of ‘Informatienet’.</sup>