---
title: "9.2 Impact en handelingsperspectief"
canonical: "https://wiki.groenkennisnet.nl/space/kpikll/509476913/9.2%20Impact%20en%20handelingsperspectief"
format: markdown
---
Voor de akkerbouw wordt de KPI-score bepaald door het aandeel rustgewassen in het bouwplan (inclusief groenbemesters) en de duur van bodembedekking met deze gewassen. Om de KPI-score te verbeteren, kan dus gekozen worden voor extra rustgewassen in het bouwplan (inclusief extra groenbemesters). Daarnaast kan de duur van de bodembedekking verhoogd worden, bijvoorbeeld door een rustgewas te kiezen met een langere teeltduur, of door groenbemesters te laten overwinteren in plaats van vóór de winter in te werken. Zo blijft de bodem langer bedekt. In de melkveehouderij wordt de KPI-score bepaald door het aandeel blijvend grasland. Het handelingsperspectief voor de melkveehouderij is dus het aandeel blijvend grasland te verhogen kan de KPI-score verhoogd worden.

Echter, rustgewassen zijn over het algemeen laagrenderende gewassen. Ze worden vooral ingezet ter bevordering van de bodemkwaliteit, en voegen weinig toe aan het bedrijfsresultaat. Vaker granen telen, betekent automatisch minder vaak hoger renderende gewassen telen. Ook het telen van groenbemesters kost geld, in plaats van dat het (op de korte termijn) merkbaar geld oplevert (doordat de bodemkwaliteit verbetert en bijvoorbeeld minder gewasbeschermingsmiddelen nodig zijn). Het handelingsperspectief voor de akkerbouw wordt dus gelimiteerd door de financiële gevolgen van deze maatregelen.

Binnen het onderzoeksprogramma Slim Landgebruik is voor zes verschillende regionale akkerbouw bouwplannen een economische analyse uitgevoerd, om inzicht te krijgen in de effecten van extra graangewassen en groenbemesters in het bouwplan op het bouwplansaldo (Verstand et al., 2021). 

De maatregelpakketten in deze scenariostudie waren gericht op het verhogen van koolstofopslag in de bodem, maar omdat de maatregelen grotendeels overeenkomen met de maatregelen van de KPI Bodembedekking en zorgen voor een verhoging van de KPI-score, kan deze studie ook gebruikt worden om inzicht te krijgen in de economische effecten van het verhogen van deze KPIscore. In de studie zijn drie ‘maatregelpakketten’ vergeleken met een referentiebouwplan. In pakket 1 wordt de vruchtwisseling niet aangepast, maar worden maximaal groenbemesters ingezet en wordt graanstro achtergelaten in plaats van afgevoerd. In pakketten 2.1 en 2.2 zijn naast maximaal groenbemesters en gewasresten achterlaten, ook de vruchtwisselingen aangepast door extra graangewassen en/of gras in de rotatie op te nemen. De referentiebouwplannen verschillen per regio, en ook de invulling van de maatregelpakketten verschillen per regio om zo realistisch mogelijk aan te sluiten op de referentiebouwplannen. In figuur 3.1 staan per regio en maatregelpakket het verschil in bouwplan saldo per hectare, ten opzichte van het referentiebouwplan. De kosten voor het opnemen van meer groenbemesters, het achterlaten van stro en het opnemen van meer graangewassen in de rotatie verschillen per regio, maar kunnen oplopen tot zo’n 1.700 euro per ha (let wel dat het achterlaten van stro ook in deze berekening is inbegrepen, maar dit is geen maatregel voor de KPI Bodembedekking).

![image-20260506-141409.png](media://60a96b36-ba98-4c2b-98bc-140be7a8f547)

Voor de melkveehouderij geldt dat afhankelijk van grondsoort en stikstofleverend vermogen van de bodem blijvend grasland een lagere droge stof opbrengst kan hebben dan tijdelijk grasland. Hoe verder het aandeel blijvend grasland in die gevallen naar 100% gaat, hoe meer (ruw)voer ingekocht moet worden (wanneer de rest van de bedrijfsvoering hetzelfde blijft). Het is echter niet altijd het geval en afhankelijk van de grond kan blijvend grasland vergelijkebare opbrengsten hebben met tijdelijk grasland (Nevens en Reheul, 2003; Iepema et al., 2020). In een studie van Dijkshoorn-Dekker et al. (2020) naar verdienmodellen rond natuurinclusieve landbouwmaatregelen is invulling van de maatregel ‘meer blijvend grasland binnen het bouwplan’ bewust op een aandeel van maximaal 75% van het bouwplan gezet. Dit is gedaan om de maatregel realistisch te houden en ruimte te behouden voor een mais/tijdelijk gras wisselteelt, en continu mais vermeden kan worden).

## Neveneffecten 

Naast financiële gevolgen kunnen de maatregelen ook andere teeltrisico’s met zich meebrengen (en daarmee ook financiële risico’s; Wagenaar et al., 2024; Hoogmoed et al., 2022). Bijvoorbeeld: wanneer groenbemesters overwinteren en pas in het voorjaar worden ingewerkt, moeten de weersomstandigheden goed genoeg zijn om de groenbemester in te werken en een zaaibed aan te leggen. Grond onder groenbemesters blijft langer vochtig, waardoor het ook langer duurt voordat de boer het land op kan zonder structuurschade aan de bodem. In het voorjaar zijn er vaak maar een beperkt aantal dagen waarop de boer het land op kan om alle handelingen uit te voeren. Een overwinterende groenbemester maakt dit extra uitdagend en risicovol. In sommige regio’s speelt het risico op aaltjesvermeerdering of andere plagen zoals slakken bij de teelt van groenbemesters als limiterende factor. Deze risico’s kunnen ook zorgen voor neveneffecten op andere KPI’s en duurzaamheidsdoelen. Wanneer bijvoorbeeld een overwinterende groenbemester niet goed doodvriest, kan dit leiden tot extra herbicidengebruik om de groenbemester dood te maken, of extra pesticidengebruik tegen slakken of aaltjes.

Er zijn ook positieve neveneffecten te verwachten. De maatregelen waarop gestuurd wordt binnen deze KPI hebben naast een positief effect op het primaire doel van verbetering van de fysische bodemkwaliteit, waarschijnlijk ook positieve effecten op andere duurzaamheidsdoelen. Bijvoorbeeld: vanwege het dieper en intensiever wortelend karakter van veel rustgewassen en (blijvend) grasland, en omdat rustgewassen in de akkerbouw vaak een lagere input van meststoffen hebben, kan deze KPI bijdragen aan het doel van verminderen van inputs en nutriëntenverliezen, en verbeteren van waterkwaliteit. Door de diepere en intensievere beworteling van deze gewassen zijn ze in staat beter nutriënten op te nemen die naar de diepere bodemlagen zijn uitgespoeld. De beoogde verbetering in de bodemstructuur (door de verbeterde beworteling en langere bodembedekking) draagt bij aan de adaptatie aan weersextremen en het omgaan met klimaatverandering en dus het doel verbeteren waterbalans en benutting. Rustgewassen, blijvend grasland en groenbemesters zijn positief voor de organische stofaanvoer, en deze KPI kan dus ook positief bijdragen aan het doel koolstofvastlegging. Doordat de bodem meer met rust gelaten wordt, en doordat de bodembedekking bescherming biedt voor het bodemleven, draagt deze KPI ook bij aan het doel verbeteren bodembiodiversiteit en de al eerder genoemde doelen als waterregulatie en klimaatadaptatie.

![Slide8.jpg](media://b618c2c4-6406-4c50-aa90-37869b79a4cf)