---
title: "8.2 Impact en handelingsperspectief"
canonical: "https://wiki.groenkennisnet.nl/space/kpikll/497975304/8.2%20Impact%20en%20handelingsperspectief"
format: markdown
---
Het handelingsperspectief voor het verhogen van de KPIscore is gebaseerd op het verhogen van één of meerdere van de EOS-aanvoerposten waarmee de KPI-score bepaald wordt, namelijk: 

1. gewasresten van het hoofdgewas
2. gewasresten van groenbemesters die na de hoofdteelt zijn ingezaaid
3. organische meststoffen zoals dierlijke mest, compost en andere bodemverbeteraars.

Per aanvoerpost zijn er mogelijkheden voor de teler of veehouder om deze te verhogen. Het handelingsperspectief voor het (maximaal) verhogen van de KPI-score wordt gelimiteerd door enerzijds wet- en regelgeving (stikstof en fosfaatgebruiksnormen) en anderzijds financiële beperkingen. 

1. Gewasresten van het hoofdgewas Binnen deze aanvoerpost kan de EOS-aanvoer potentieel verhoogd worden door twee mechanismen, en is de beperkende factor vooral financieel van aard. Verschillende gewassen laten verschillende hoeveelheden gewasresten, en dus effectieve organische stof achter. Bijvoorbeeld zaaiui of consumptieaardappel laten relatief weinig effectieve organische stof achter (300 en 450 kg EOS ha<sup>-1 </sup>respectievelijk), en wintertarwe relatief veel (2.100 kg EOS ha<sup>-1</sup> ), zeker wanneer het stro wordt achtergelaten in plaats van afgevoerd (inclusief stro 3.100 kg EOS ha <sup>-1</sup> ). Het aanpassen van het bouwplan en het opnemen van meer graangewassen in de rotatie is echter een kostbare maatregel die zorgt voor inkomstenderving. Graangewassen worden vooral als rustgewas ingezet ter bevordering van de bodemkwaliteit en voegen weinig toe aan het bedrijfsresultaat. Vaker granen telen, betekent automatisch minder vaak hoger renderende gewassen telen. Het achterlaten van stro na graan (zonder bouwplanaanpassing) is dan een relatief kleinere investering (een neveneffect hierbij is dat er binnen en buiten de landbouw veel vraag is naar stro, bijvoorbeeld voor in ligstallen of als biobased bouwmateriaal). Binnen de veehouderij kan deze post op de graspercelen verhoogd worden door het blijvend grasland niet te scheuren en door tijdelijk grasland om te zetten in blijvend grasland.
  Binnen het onderzoeksprogramma Slim Landgebruik<sup>3</sup> is voor zes verschillende regionale akkerbouw bouwplannen een economische analyse uitgevoerd, om inzicht te krijgen in de effecten van extra graangewassen en groenbemesters in het bouwplan op het bouwplansaldo (Verstand et al., 2021). In Verstand et al. (2021) zijn drie ‘maatregelpakketten’ vergeleken met een referentiebouwplan. In pakket 1 wordt de vruchtwisseling niet aangepast, maar worden maximaal groenbemesters ingezet en wordt graanstro achtergelaten in plaats van afgevoerd. In pakketten 2.1 en 2.2 zijn naast maximaal groenbemesters en gewasresten achterlaten, ook de vruchtwisselingen aangepast door extra graangewassen en/of gras in de rotatie op te nemen. De exacte invulling en bijbehorende kosten van de maatregelpakketten verschillen per regio omdat de referentiebouwplannen verschillen. Bijvoorbeeld, in de regio noordelijke zeeklei (NZK) is het referentiebouwplan een driejarige rotatie en in centrale zeeklei Flevoland (CZKF) een vierjarige rotatie. In beide gevallen wordt in het eerste maatregelpakket 1 extra groenbemester ingevoerd en wordt het stro achtergelaten. De kosten van deze maatregelen worden in NZK dus over 3 jaar verspreid en in CZKF over 4 jaar. In figuur 3.1 staan per regio en maatregelpakket het verschil in bouwplan saldo ten opzichte van het referentiebouwplan. De kosten voor het opnemen van meer groenbemesters, het achterlaten van stro en het opnemen van meer graangewassen in de rotatie verschillen aanzienlijk per regio (voor meer details over hoe de regio’s en maatregelpakketten verschillen en met welke prijzen is gerekend, zie Verstand et al., 2021, tabel 0.4 pagina 20).
  In figuur 3.2 staat de gemodelleerde extra koolstofopslag per maatregelpakket gepresenteerd. Afhankelijk van de regio kan (theoretisch) dus zo’n 0,25 tot 0,45 ton ha<sup>-1</sup> jr<sup>-1</sup> extra koolstofopslag plaatsvinden, door maximale inzet van groenbemesters, achterlaten van stro-gewasresten, en het opnemen van extra graangewassen in het bouwplan. Tot slot geeft figuur 3.3 de kosten voor het vastleggen van één ton koolstof. Hieruit blijkt duidelijk dat deze kosten per regio verschillen, en dat het handelingsperspectief voor telers om dezelfde hoeveelheid koolstof vast te leggen daardoor varieert.

![image-20260501-102454.png](media://4cfcc26f-738a-4ad9-b993-b2815b4b776b)

![image-20260501-102523.png](media://394f68a5-d9f7-4cce-a2d2-0f96587bb41d)

![image-20260501-102552.png](media://d527b4d5-98e2-4906-984a-06e849ff79b7)

2. Gewasresten van groenbemesters die na de hoofdteelt zijn ingezaaid

Op dit moment kan het verhogen van de EOS-aanvoer via gewasresten van groenbemesters vooral gestuurd worden door op meerdere (extra) momenten in het bouwplan een groenbemester te telen. Voor de akkerbouw wordt de KPI berekend via het rekeninstrument Nutriëntenbalans Akkerbouw. In dit rekeninstrument is het maar zeer beperkt mogelijk om te differentiëren in het soort groenbemester. Het rekeninstrument gebruikt generieke kengetallen voor 5 categorieën groenbemesters:

- niet-vlinderbloemige, gezaaid voor 1 september
- vlinderbloemige gezaaid voor 1 september
- onbemeste vanggewassen gezaaid op 3 verschillende tijdstippen (zie [8.1 Data en berekeningswijze](https://wiki-groenkennisnet.atlassian.net/wiki/spaces/kpikll/pages/497877016), tabel 1.1 in paragraaf 1.4).

Het *Handboek Bodem en Bemesting* en het *Handboek Groenbemesters* (Van Leeuwen-Haagsma et al., 2019) bevat EOS-kengetallen voor een groot aantal groenbemesters, die variëren van 50 tot 2.500 kg EOS ha<sup>-1</sup> jr<sup>-1</sup> , afhankelijk van het soort en de zaaidatum. In de praktijk kan een teler dus een bewustere keuze maken in het soort groenbemester om te maximaliseren op EOS-aanvoer, alleen wordt dit niet zichtbaar in de KPI-score. Ook het langer laten staan van de groenbemester zal in werkelijkheid zorgen voor een hogere EOS-aanvoer, maar ook dit wordt niet zichtbaar in de KPI-score. Op dit moment is het technisch lastig om meer opties voor groenbemesters in de Nutriëntenbalans Akkerbouw te bouwen (persoonlijke communicatie Wim van Dijk, ontwikkelaar Nutriëntenbalans Akkerbouw, augustus 2025), maar om meer handelingsperspectief te bieden is het wenselijk dat dit in de toekomst wel mogelijk wordt. Voor de veehouderij kan met het rekeninstrument KringloopWijzer Veehouderij ook niet gedifferentieerd worden in het soort groenbemester. Hier wordt de EOSaanvoer van de groenbemesters bepaald door het areaal vroeg geoogste gewassen (1.000 kg EOS ha<sup>-1</sup> jr<sup>-1</sup> na vroeg geoogste gewassen, en 550 EOS kg ha<sup>-1</sup> jr<sup>-1</sup> na laat geoogste gewassen (zie ook hier [8.1 Data en berekeningswijze](https://wiki-groenkennisnet.atlassian.net/wiki/spaces/kpikll/pages/497877016), tabel 1.1 en Van Dijk et al., 2025). 

3. Organische meststoffen zoals dierlijke mest, compost en andere bodemverbeteraars
  De beperkende factoren voor het verhogen van de KPIscore via deze derde aanvoerpost zijn zowel financieel als wettelijk van aard. Voor het verhogen van de EOSaanvoer uit organische meststoffen kan de boer overwegen om meer organische meststoffen in plaats van kunstmest toe te passen. Ook kan er een keuze worden gemaakt voor organische meststoffen die een hogere hoeveelheid effectieve organische stof bevatten. Drijfmest bevat relatief weinig EOS, vergeleken met vaste dierlijke mest of compost en door deze te vervangen kan de KPI-score verhoogd worden. Maar, het vervangen van drijfmest met een andere organische meststof kost op twee manieren geld:
  1. voor de akkerbouwer verloren inkomsten uit het afnemen van drijfmest
  2. het betalen voor de vervangende organische meststof.

Binnen het onderzoeksprogramma Slim Landgebruik is een realistische kosten-batenanalyse gedaan voor toepassen van extra compost, ten opzichte van een referentiesituatie met dunne varkensdrijfmest, aangevuld met kunstmest.<sup>4</sup> De gemiddelde kosten voor het toepassen van een realistische hoeveelheid compost door een akkerbouwer liggen gemiddeld rond de € 750 tot   
€ 800 ha<sup>-1</sup> . Deze kosten bestaan uit de prijs van de compost en extra kunstmest die worden toegediend, plus de verloren inkomsten uit het afnemen van varkensdrijfmest. Op veehouderijbedrijven wordt zelf mest geproduceerd waarvoor moet worden betaald om die af te voeren, als die niet op het eigen bedrijf ingezet kan worden. Toch zijn er wel mogelijkheden, bijvoorbeeld wanneer er sowieso al gft-compost werd toegediend, door dit te vervangen door groencompost, die een hogere hoeveelheid EOS heeft. Het *Handboek Bodem en Bemesting* biedt een overzicht van de gemiddelde hoeveelheid effectieve organische stof, N en P per product en kan door de teler makkelijk geraadpleegd worden. Organische stofstoffen die veel EOS bevatten zijn over het algemeen wel duurder dan andere mestsoorten. Door de veehouderij zou op het eigen bedrijf strorijke vaste mest geproduceerd kunnen worden in plaats van drijfmest, waardoor de KPI-score flink verhoogd kan worden. Maar dit is een zeer grote financiële investering voor het aanpassen van stallen en systemen en aankoop van stro, en voor de meeste veehouders niet realistisch. 

### Neveneffecten 

Naast de primaire sturing op de doelen ‘koolstofvastlegging’, verbeteren bodemstructuur en - beheer en verbeteren bodembiodiversiteit, hebben de maatregelen waarop gestuurd wordt binnen deze KPI ook nog andere positieve neveneffecten en sturen ze direct of indirect ook deels op andere doelen. Bodemorganische stof en een verbeterde bodemstructuur dragen ook bij aan de waterdoelen ‘verbeteren waterbalans en benutting’, omdat bodemorganische stof het watervasthoudend vermogen van de bodem kan verbeteren en de bodem beter bestand kan maken tegen weersextremen. De inzet van organische reststromen draagt ook positief bij aan het doel ‘hergebruik reststromen/kringlopen sluiten/circulariteit’.

![Slide7.jpg](media://f5021084-9e3d-4359-b4ca-3722f6c1b8f7)

Hoewel de maatregelen waarop gestuurd wordt veel positieve effecten kennen, bestaan er ook risico’s van afwenteling op andere doelen. Elke aanvoer van (organische) meststoffen kan een potentieel risico op nutriëntenuitspoeling met zich meebrengen, en dus een afwenteling op het duurzaamheidsdoel van verbeteren waterkwaliteit. Via de wet- en regelgeving zijn er limieten aan de hoeveelheid organische meststoffen en dus worden die risico’s wel beperkt. Excessief gebruik van kunstmest in aanvulling op organische mest vormt een groter risico. In sommige regio’s speelt het risico op aaltjesvermeerdering of andere plagen zoals slakken bij de teelt van (extra) groenbemesters, waardoor mogelijk extra pesticiden tegen slakken of aaltjes ingezet worden. Ook dit kan zorgen voor een afwenteling op de doelen water(kwaliteit) en biodiversiteit.


<sup>3. Slim landgebruik is een onderzoeksprogramma dat kennis aanlevert voor extra vastlegging van 0,5 Mton CO</sup><sub>2</sub><sup>-eq in Nederlandse minerale landbouwbodems. </sup><sup>[www.slimlandgebruik.nl](http://www.slimlandgebruik.nl)</sup>

<sup>4 </sup><sup>[Kosten en baten | Slim Landgebruik](https://slimlandgebruik.nl/effecten/kosten-en-baten-7)</sup>