---
title: "8.3 Referentiewaarden"
canonical: "https://wiki.groenkennisnet.nl/space/kpikll/497483809/8.3%20Referentiewaarden"
format: markdown
---
Referentiewaarden kunnen gebruikt worden om KPI scores te duiden: hoe verhoudt de score zich tot het huidige gemiddelde, tot waarden die in theorie gehaald kunnen worden of tot waarden die nodig zijn voor doelbereik? Zie voor uitleg paragraaf 3.3 van het hoofdrapport. 

In dit hoofdstuk worden de verschillende  referentiewaarden gepresenteerd: benchmarks waarbij de bedrijfswaarde wordt vergeleken met de prestaties van andere vergelijkbare bedrijven (zie ‘Informatienet-benchmarks’ en ‘Praktijkresultaten pilots’) en referentiewaarden op basis van theoretisch haalbare waarden (zie ‘Theoretisch haalbaar’). Tot slot wordt ingegaan op drempel- en streefwaarden die nodig zijn voor doelbereik (zie ‘Drempel- en streefwaarden doelbereik’).  

##  Informatienet-benchmarks 

In de melkveehouderij wordt op vrijwel alle Nederlandse melkveebedrijven organische stof jaarlijks berekend met rekeninstrument KringloopWijzer (KLW). In KLW worden benchmarks gehanteerd op basis van grondsoort, intensiteit en gangbaar/biologisch, met in totaal 36 groepen (5 grondsoorten, 7 intensiteitsklassen, gangbaar/biologisch). De benchmarks zijn gebaseerd op de gemiddelden van de voorgaande 3 jaren van de 36 groepen bedrijven. Omdat benchmarks in KLW niet openbaar zijn worden in deze paragraaf alleen resultaten en benchmarks uit het Bedrijveninformatienet beschreven. 

Met informatie uit het Bedrijveninformatienet<sup>2</sup> is voor alle KPI’s over de periode 2021-2023 de gemiddelde KPI score berekend per grondsoort en intensiteit van de landbouwbedrijven (tabel 2.1). De hoeveelheid effectieve organische stofaanvoer is substantieel hoger in de melkveehouderij vergeleken met akkerbouw. Dit is zoals verwacht, grasland heeft een hoge EOS-aanvoer via gewasresten bestaande uit afstervende wortelbiomassa. In de melkveehouderij is er een oplopende EOS-aanvoer van extensief naar intensief. Een mogelijke verklaring is dat het grasland productiever is (meer bemesting), waardoor er ook meer wortelbiomassa geproduceerd wordt en via dat mechanismen meer EOS-aanvoer naar de bodem is. 

Bij de akkerbouw zien we een omgekeerde trend, waarbij de EOS-aanvoer bij extensieve bedrijven hoger is. Dit komt waarschijnlijk doordat extensieve bedrijven relatief meer rustgewassen (granen) in het bouwplan hebben, die ook relatief veel EOS achterlaten.

![image-20260501-104845.png](media://72bd92b7-2e45-4881-afec-679cb0ce76a5)

## Praktijkresultaten pilots 

De score voor de KPI Organische stof is bepaald voor melkvee- en akkerbouwbedrijven in verschillende pilots. Alleen de pilots waarbij er 10 of meer bedrijven zijn gescoord zijn opgenomen in figuur 2.1 (melkveehouderij) en figuur 2.2 (akkerbouw). Deze scores zijn onder voorbehoud van een nieuwe validatieronde van het dashboardsysteem en rekeninstrument Nutriëntenbalans Akkerbouw en de scores zijn enkel indicatief. De gemiddelde score van EOS-aanvoer in de melkvee-pilots ligt grofweg tussen de 5.000 en 5.700, maar de spreiding is groot, tussen de 4.000 en meer dan 6.000 kg EOS ha<sup>-1</sup> jr<sup>-1</sup> . De Informatienet-benchmarkbedrijven scoren gemiddeld wat hoger dan de pilotbedrijven. 

In de akkerbouw ligt de EOS-aanvoer lager dan in de melkveehouderij. Dit is volgens verwachting, gewasresten in de vorm van afstervende wortels onder grasland vormen een grote continue bron van EOSaanvoer in graslanden. In de akkerbouw liggen de gemiddelde scores grofweg tussen de 2.000 en 4.000 kg EOS-aanvoer ha<sup>-1</sup> jr<sup>-1</sup> , maar met een spreiding tussen de 1.000 en 4.500 kg EOS ha<sup>-1</sup> jr<sup>-1 </sup>en met een aantal grote uitschieters daarboven (stippen in de grafiek). Een aanzienlijk deel van de pilotbedrijven scoort hoger dan de Informatienet-benchmarkbedrijven.

## Theoretisch haalbaar 

Theoretisch mogelijke waarden weerspiegelen de best mogelijke prestatie op de KPI, nu en in de nabije toekomst. Het gaat er hierbij om wat technisch mogelijk is voor een geïsoleerde KPI, niet om wat economisch haalbaar is, en niet op systeemniveau in samenhang met andere KPI’s. Wel dient er nog een bedrijfsvoering te zijn die gericht is op een bepaalde mate van productie van gewassen of dieren. 

Theoretisch en ongehinderd door wet- en regelgeving kan deze KPI-score onbeperkt hoog zijn, door onrealistisch hoge aanvoer van organische stofsoorten, en door de maximale teelt van gewassen die relatief veel gewasresten achterlaten. In werkelijkheid wordt de maximaal haalbare score begrensd door enerzijds weten regelgeving rond stikstof en fosfaat, en anderzijds door (zeer) nadelige financiële gevolgen van het aanpassen van het bouwplan en kosten van aanvoer van organisch stofrijke meststoffen. 

De drie EOS-aanvoerposten die in deze KPI-berekening worden onderscheiden, en waar mee gestuurd kan worden, zijn: 

- gewasresten van het hoofdgewas
- gewasresten van groenbemesters die na de hoofdteelt zijn ingezaaid
- organische meststoffen zoals dierlijke mest, compost en andere bodemverbeteraars.

De eerste twee aanvoerposten kunnen theoretisch gemaximaliseerd worden door meer gewassen te telen die relatief veel gewasresten achterlaten, en meer groenbemesters te telen. Hoofdgewassen die veel gewasresten achterlaten zijn bijvoorbeeld gras en graangewassen, zeker wanneer het stro ook op het perceel achterblijft (en niet wordt afgevoerd en verkocht). De derde aanvoerpost van effectieve organische stof – organische meststoffen zoals vaste dierlijke mest, compost en andere bodemverbeteraars – wordt begrensd door wet- en regelgeving rondom stikstof en fosfaat (evenals de kosten). Voor dierlijke mest geldt dat er een maximum van 170 kg N ha<sup>-1</sup> uit dierlijke mest mag worden toegediend (zonder derogatie) (RVOa, 2025). Bij andere organische stofbronnen die geen dierlijke mest bevatten, gelden de stikstofbemestingsnormen per gewas (RVO 2025b). Bij organische (niet-dierlijke) meststoffen zoals compost wordt gerekend met 10% van de totale stikstof, die meetelt in de bemestingsruimte. 

Voor de akkerbouw kan worden geredeneerd dat de theoretisch maximaal haalbare KPI-score, binnen de grenzen van de stikstof- en fosfaatwetgeving, wordt bereikt met een bouwplan dat uitsluitend wintertarwe bevat, waarbij stro wordt achtergelaten, een groenbemester wordt ingezaaid, en de volledige bemestingsruimte wordt ingevuld met groencompost. De stikstofbemestingsruimte voor wintertarwe is 245 kg N ha<sup>-1</sup> jr<sup>-1 </sup>op kleigronden, en in dit voorbeeld gaan we uit van de standaardgebruiksnorm voor fosfaat van 40 kg P<sub>2</sub>O<sub>5</sub> ha<sup>-1</sup> jr<sup>-1</sup> . De totale concentratie N in groencompost is 7,8 kg N ton<sup>-1</sup> en 2,4 kg P<sub>2</sub>O<sub>5</sub> ton<sup>-1</sup> (De Haan et al., 2014, *Handboek Bodem en Bemesting*), met een EOS van 58 kg t<sup>-1</sup> . Bij gebruik van groencompost mag met 10% en 25% van de respectievelijke N- en P-gehaltes gerekend worden. Dus 0,78 kg N ton<sup>-1</sup> en 0,6 kg P<sub>2</sub>O<sub>5</sub> ton<sup>-1</sup> groencompost. In het geheel onrealistische scenario dat de hele bemestingsruimte met groencompost wordt ingevuld, vormt in dit geval de fosfaatgebruiksruimte de belemmerende factor en mag er 40 / 0,6 = 66,7 ton groencompost toegediend worden. Dit bevat een EOS-aanvoer van 66,7 ton * 58 kg EOS = 3.867 kg EOS ha<sup>-1</sup> jr<sup>-1</sup> . De EOS uit gewasresten (inclusief stro) van wintertarwe is 3.100 kg EOS ha<sup>-1</sup> jr<sup>-1</sup> . Een groenbemester gezaaid voor 1 september voegt nog eens 950 kg EOS toe (zie tabel 1.1). De theoretisch maximale score voor de akkerbouw kan dus worden geschat op ruim 7.900 kg EOS ha<sup>-1</sup> jr<sup>-1</sup> . Nogmaals, dit is een geheel onrealistisch scenario, zowel vanwege de kosten en gemiste inkomsten, als vanwege de beschikbaarheid van compost en de werkingssnelheid van de meststoffen.

In de veehouderijsector bestaat de aanvoerpost ‘achterlaten van gewasresten’ op de graslandpercelen uit afstervende wortelbiomassa en biomassa na het beëindigen van het tijdelijk grasland. De leeftijd van het grasland is bepalend voor de hoeveelheid effectieve organische stofinput via gewasresten. In het rekeninstrument voor de veehouderij, namelijk de KringloopWijzer Veehouderij, worden drie varianten van grasland onderscheiden: 1) Blijvend gras, 1e jaar na herinzaai, 2) overig blijvend gras, en 3) tijdelijk gras, waarbij overig blijvend gras de hoogste EOS-aanvoer heeft van 3.366 kg EOS ha<sup>-1</sup> jr<sup>-1</sup> . Het omzetten van blijvend gras naar bouwland is nagenoeg altijd nadelig voor de EOS-aanvoer. De theoretisch maximaal haalbare score op deze aanvoerpost kan dus gehaald worden wanneer het volledige areaal bestaat uit (nieteerstejaars) blijvend grasland met strorijke vaste mest. Bij strorijke, vaste rundveemest (met P<sub>2</sub>O<sub>5</sub>-gehalte van 3,1 kg ton<sup>-1</sup> ) mag gerekend worden met 75% van de totale P<sub>2</sub>O<sub>5</sub>-gehalte, dus 3,1 * 0,75 = 2,3 kg P<sub>2</sub>O<sub>5</sub> ton<sup>-1</sup> . Strorijke rundvee grupstalmest bevat 111 kg EOS ton<sup>-1</sup> vers product en 6,4 kg N. Uitgaande van een standaardfosfaatgebruiksruimte van 75 kg P<sub>2</sub>O<sub>5</sub> en 385 kg N (grasland met volledig maaien op klei), blijkt ook hier de fosfaatgebruiksruimte de belemmerende factor en mag er 75/2,3=32,6 kg grupstalmest ha<sup>-1</sup> jr<sup>-1</sup> toegediend worden, waarmee 3.618 kg EOS wordt aangevoerd. In totaal is de theoretisch maximale score voor de melkveehouderij dus 3.366+3.618= 6.984 kg EOS ha<sup>-1</sup> jr<sup>-1</sup> . Ook dit is een geheel onrealistisch scenario, onder andere wegens de kosten, de beschikbaarheid van strorijke vaste mest en ongebalanceerde bemesting.

## Drempel- en streefwaarden doelbereik 

De KPI EOS-aanvoer stuurt voornamelijk op de doelen Klimaat (koolstofvastlegging) en Bodem (verbeteren bodemstructuur en -beheer, en verbeteren bodembiodiversiteit). 

### Koolstofvastlegging 

Het beleidsdoel uit het Klimaatakkoord van 2019 is om 0,5 Mton extra CO<sub>2</sub>-equivalent vast te leggen in minerale landbouwbodems vanaf 2030. Zoals in [8 Organische stof](https://wiki-groenkennisnet.atlassian.net/wiki/spaces/kpikll/pages/35324616) is uitgelegd is de KPI-score geen maat van koolstofvastlegging omdat enkel de aanvoerkant van organische stof (koolstof) naar de bodem wordt meegenomen, en niet de afbraak (verlies) van al aanwezige bodemorganische stof. Via drempel- en streefwaardes kan wel meer gestuurd worden op koolstofvastlegging. Om het beleidsdoel te vertalen naar drempel- en streefwaardes van de KPI-score op bedrijfsniveau, moet het beleidsdoel vertaald worden naar bedrijfsniveau. Als we de extra koolstofvastlegging gelijkmatig verdelen over alle 1.8 miljoen ha (minerale) landbouwgrond van Nederland, dan moet er per ha zo’n 150 kg EOS extra worden aangevoerd (0,5 Mton CO<sub>2</sub>-eq = 0,135 Mton C (27% C in CO<sub>2</sub>) = 0,27 Mton (E)OS (50% C in OS). Om ook te zorgen dat de bodemorganischestof niet verder afneemt, moet gecompenseerd worden voor de afbraak van de al aanwezige bodemorganische stof. Als we uitgaan van een zeer generieke jaarlijkse afbraak van 2.200 kg bodemorganische stof ha<sup>-1</sup> jr<sup>-1</sup> (Conijn en Lesschen, 2015) in heel Nederland, dan zou de generieke drempelwaarde in Nederland gezet kunnen worden op 2.200 kg EOS aanvoer ha<sup>-1</sup> jr<sup>-1</sup> (geen achteruitgang van bodemorganische stof) en een streefwaarde van 2.200+150=2.350 kg EOS aanvoer ha<sup>-1</sup> jr<sup>-1</sup> als waarde waarbij doelbereik in beeld komt.

### Regionale drempel- en streefwaarden voor koolstofvastlegging 

Het gelijkmatig verdelen van de beleidsopgave over alle landbouwgrond in Nederland is discutabel en bovenstaande berekening is een sterk versimpelde aanpak waarbij er toch bodems zullen zijn waarbij de organische stofgehaltes achteruit zullen gaan. De werkelijke absolute hoeveelheid afbraak van bodemorganische stof is afhankelijk van de al aanwezige bodemorganische stof en verschilt tussen percelen, bedrijven en regio’s. Simpel gezegd, hoe hoger het bodemorganische stofgehalte, hoe meer absoluut verlies van koolstof en dus hoe hoger de EOS-aanvoer moet zijn om dit verlies te compenseren, en extra koolstofvastlegging te realiseren. Een nauwkeurigere aanpak zou zijn om met behulp van modellen en bodemkaarten met gemiddelde bodemorganische stofgehaltes op regioniveau, of zelfs op bedrijfsniveau de gemiddelde verwachte afbraak van bodemorganische stof te bepalen en op basis daarvan drempel- en streefwaardes te bepalen. 

Echter, wanneer werkelijke koolstofvastlegging als drempel- en streefwaarde gebruikt wordt, speelt hier wel mee dat boeren mogelijk een verschillende inspanning moeten leveren om dezelfde drempel- en streefwaarde te bereiken. In een regio waar de OS-gehaltes al laag zijn, moet misschien 1.000 kg EOS aangevoerd worden om de afbraak te compenseren, terwijl in een andere regio 2.000 kg EOS aangevoerd moet worden. Wanneer deze aanpak van drempel- en streefwaardes wordt gehanteerd, zou ook een regionale differentiatie van beloning aan de KPI-score vast moeten zitten (zie ook verdere discussie in [8.6 Discussie](https://wiki-groenkennisnet.atlassian.net/wiki/spaces/kpikll/pages/1878851615) over de keuze voor EOS-aanvoer als KPI-invulling in plaats van organische stofbalans als KPI-invulling). 

### Duurzaam bodembeheer 

Naast koolstofvastlegging is deze KPI ook gerelateerd aan het doel ‘Bodem’ (verbeteren bodemstructuur en - beheer, en verbeteren bodembiodiversiteit) en het hieraan gelinkte beleidsdoel ‘alle landbouwbodems duurzaam beheerd’. Hoewel dit doel niet direct kwantificeerbaar is, zou – vanuit expert opinion – gesteld kunnen worden dat EOS-aanvoer pas onder de noemer ‘duurzaam bodembeheer’ valt wanneer de EOS-aanvoer de afbraak van bodemorganische stof compenseert en het gehalte bodemorganische stof niet achteruitgaat. In dit geval kan dan ook gewerkt worden met óf een generieke drempelwaarde voor heel Nederland van 2.200 kg EOS (Conijn en Lesschen, 2015,) óf met 2.000 kg EOS zoals wordt aangehouden in het *Handboek Bodem en Bemesting*. In de Biodiversiteitsmonitor Akkerbouw wordt als streefwaarde voorgesteld een EOS-aanvoer van 2.500 kg ha<sup>-1</sup> jr<sup>-1</sup> , wat gebaseerd is op ‘goede landbouwpraktijk’ van telers uit het Bedrijven Netwerk Bodemmetingen), of een EOS-aanvoer van 3.000 kg ha<sup>-1</sup> jr<sup>-1</sup> , uitgaande van maximale inspanningen van de boer (Van Doorn et al., 2022).

![2026-002-8 Figuur2.1_boxplot_EOS_aanvoer_Melkvee.jpg](media://d2f0bdb3-da5c-490c-98f1-414cfb029538)

![2026-002-8 Figuur 2.2_boxplot_EOS_aanvoer_Akkerbouw.jpeg](media://8143afd6-68eb-4f48-b17a-1b50abce44bb)


<sup>2. Hoewel de afkorting ‘BIN’ in figuren wordt gebruikt, schrijven we in de lopende tekst de volledige naam uit of ‘Informatienet’.</sup>