---
title: "7.3 Referentiewaarden"
canonical: "https://wiki.groenkennisnet.nl/space/kpikll/497319963/7.3%20Referentiewaarden"
format: markdown
---
Referentiewaarden kunnen gebruikt worden om KPIscores te duiden: hoe verhoudt de score zich tot het huidige gemiddelde, tot waarden die in theorie gehaald kunnen worden of tot waarden die nodig zijn voor doelbereik? Zie voor uitleg paragraaf 3.3 van het hoofdrapport. 

In dit hoofdstuk worden de verschillende  referentiewaarden gepresenteerd: benchmarks waarbij de bedrijfswaarde wordt vergeleken met de prestaties van andere vergelijkbare bedrijven (zie ‘Informatienet-benchmarks’ en ‘Praktijkresultaten pilots’) en referentiewaarden op basis van theoretisch haalbare waarden (zie ‘Theoretisch haalbaar’). Tot slot wordt ingegaan op drempel- en streefwaarden die nodig zijn voor doelbereik (zie ‘Drempel- en streefwaarden doelbereik’).  .

### Informatienet-benchmarks 

De benchmarks die beschikbaar zijn vanuit de Informatienet-data geven een algemeen beeld van het aantal milieubelastingspunten op akkerbouwbedrijven en melkveehouderij bedrijven. Omdat de invulling van de KPI-score deels gebaseerd is op milieubelastingspunten, zijn dit interessante referentiewaarden. De hieronder getoonde Informatienet-benchmarks kunnen echter niet vergeleken worden met het aantal overschrijdingen en/of risico’s voor bestuivers en bestrijders, maar wel met de onderliggende data (som van milieubelastingspunten/ha over de drie milieucompartimenten). 

Het gemiddelde aantal milieubelastingspunten op bedrijfsniveau voor akkerbouwbedrijven ligt op 1.600 MBP/ha. De 25%, 50% en 75% percentielen zijn respectievelijk 850, 1.420 en 1.975 MBP/ha (tabel 2.1). Het gemiddelde aantal milieubelastingspunten op bedrijfsniveau ligt het laagst op löss (1.241 MBP/ha), gevolgd door zand (1.575 MBP/ha) en klei (1.650 MBP/ha). Echter, als we kijken naar de intensiteit van de bedrijven, geeft dat een grotere spreiding dan de grondsoort. Gemiddeld over de grondsoorten doen extensieve bedrijven het relatief goed (1.142 MBP/ha) vergeleken met intensieve bedrijven (1.942 MBP/ha). 

De melkveehouderijbedrijven scoren over het algemeen een stuk beter (dus minder MBP/ha) op bedrijfsniveau dan akkerbouwbedrijven. Het gemiddelde aantal milieubelastingspunten op bedrijfsniveau voor de melkveehouderij bedrijven ligt op 139 MBP/ha. De 25%, 50% en 75% percentielen zijn respectievelijk 31, 79 en 149 MBP/ha (tabel 2.1). Het gemiddelde aantal milieubelastingspunten op bedrijfsniveau ligt het laagst op veen (68 MBP/ha), gevolgd door klei (114 MBP/ha) en zand/löss (169 MBP/ha). Echter, als we kijken naar de intensiteit van de bedrijven, geeft dat een grotere spreiding dan de grondsoort. Gemiddeld over de grondsoorten doen extensieve bedrijven het relatief goed (98 MBP/ha) vergeleken met intensieve bedrijven (182 MBP/ha). Per grondsoort gezien klopt dit beeld, behalve bij bedrijven op klei, waar juist de intensieve bedrijven het minst aantal MBP/ha scoren. 

Voor het benchmarken van individuele bedrijven is met name het bouwplan van belang. Het bouwplan heeft sterke invloed op het totaal aantal milieubelastingspunten op bedrijfsniveau. Voor met name akkerbouwers is het dus interessant om te weten wat de spreiding is van het aantal milieubelastingspunten/ha op gewasniveau. Deze data zijn momenteel (nog) niet beschikbaar.

![image-20260501-083012.png](media://2e7c0380-b8d6-4085-b81c-ec74c4e0eaa2)

![image-20260501-083025.png](media://9519a984-83cb-4156-b07a-0524639efe1f)

## Praktijkresultaten pilots 

Er is in 2022 en 2023 een aantal pilots uitgevoerd waarbij ook de KPI Milieueffecten door gewasbeschermingsmiddelen is berekend. De Twente-pilot bestond enkel uit melkveehouders, in de GLB-pilot zat één melkveehouderijbedrijf. De andere pilots bestaan volledig uit akkerbouwbedrijven. 

Door de data uit de pilots ontstaat er een beeld van de scores die behaald worden op sector-, bedrijfs- en gewasniveau. In figuur 2.1 zijn de scores van de verschillende pilots in boxplots te vinden. Alleen de pilots in de Zuidwestelijke Delta en Drenthe hebben data van meerdere jaren. Deze regio’s lijken niet veel van elkaar te verschillen met scores van gemiddeld 8-9 overschrijdingen per ha per bedrijf, uiteenlopend tussen de 0 en 18 overschrijdingen, met enkele uitzonderingen aan de bovenkant.  

## Theoretisch haalbaar 

Theoretisch mogelijke waarden weerspiegelen de best mogelijke prestatie op de KPI, nu en in de nabije toekomst. Het gaat er hierbij om wat technisch mogelijk is voor een geïsoleerde KPI, niet om wat economisch haalbaar is, en niet op systeemniveau in samenhang met andere KPI’s. Wel dient er nog een bedrijfsvoering te zijn die gericht is op een bepaalde mate van productie van gewassen of dieren. 

Theoretisch is het behalen van 0 overschrijdingen haalbaar. Dit wordt gerealiseerd door geen gebruik te maken van gewasbeschermingsmiddelen, of alleen door gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken in toepassingen waarbij de MBP onder de 100 blijft, en er geen aanvullende risico’s voor bestuivers of natuurlijke bestrijders zijn. 

## Drempel- en streefwaarden voor doelbereik 

Vanuit de BMA wordt geadviseerd om een drempelwaarde van 0 hoog-impacttoepassingen (toepassingen >100 MBP’s en/of RBB = B of C) te hanteren en als streefwaarde 0 toepassingen van >10 MBP’s en/of RBB = B of C, óf zelfs geen MBP’s. Er zijn verschillende manieren om hiernaar te kijken. Allereerst is het logisch om vanuit ecologisch oogpunt te kijken naar waarden die bijdragen aan het bereiken van de doelen. Daarbij is het logisch om het volgende te beredeneren: hoe minder hoe beter. 

Vanuit het milieuoogpunt dat elke toepassing onder de 100 MBP aanvaardbaar is (afgeleid uit de milieuevaluaties van het Ctgb), is het logisch om een streefwaarde van enkel veilige toepassingen te hanteren: dus 0 overschrijdingen van 100 MBP.

![2026-002-7 Figuur2.1_boxplot_Aantal_overschrijdingen.jpeg](media://8780dac8-d82d-4b8c-b8a9-6dbd0ab04bfb)

Vanuit een praktisch en integraal oogpunt is het echter goed om breder te kijken, en daarbij ook voedsel- en inkomenszekerheid mee te nemen. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is ten alle tijden een (weldoordachte) afweging tussen kosten en soms maatschappelijk aanvaardbare milieuschade maken ten opzichte van het lijden van oogstverlies. Verschillen in weersinvloeden door de jaren heen kunnen enorm zijn, en maken het daarmee ook lastig om die afweging te kwantificeren. Daardoor zal het ene jaar een drempelwaarde van 0 overschrijdingen geschikt zijn, terwijl het andere jaar een drempelwaarde van 0 overschrijdingen niet realistisch zal zijn. Ook zou een lagere drempelwaarde de keuzemogelijkheden binnen het resterende gewasbeschermingsmiddelenpakket nog sterker kunnen verkleinen, waardoor ook resistenties voor de beschikbare middelen makkelijker zouden kunnen ontstaan. 

Om geschikte drempel- en streefwaarden te ontwikkelen, is het dus noodzakelijk om naar meerjarige gemiddelden te kijken, en de extremen in acht te nemen. Daarbij moet ook gekeken worden naar wat jaarlijks haalbaar is, zonder ambitie te verminderen, bijvoorbeeld door bandbreedtes aan te passen. Verder moet er gekeken worden naar gewasspecifieke drempel- en streefwaarden, om op gewasniveau duidelijke doelen voor ogen te hebben.