---
title: "8 - Organische stof"
canonical: "https://wiki.groenkennisnet.nl/space/kpikll/35324616/8%20-%20Organische%20stof"
format: markdown
---
> ℹ️ ## Definitie KPI 
> ℹ️ 
> ℹ️ De definitie van deze KPI is:* Effectieve organische stofaanvoer naar de bodem per hectare productief areaal per jaar. *
> ℹ️ 
> ℹ️ De KPI Organische stof laat zien hoeveel effectieve organische stof (EOS) per jaar wordt aangevoerd op de percelen van het bedrijf. EOS is de hoeveelheid organische stof die 1 jaar na toediening nog over is in de bodem. De snel afbreekbare fractie van de organische stof is dan al afgebroken door het bodemleven en weer uit de bodem verdwenen in de vorm van CO<sub>2</sub>. Wat overblijft is de EOS, een stabielere fractie organische stof die in de jaren daarna deels verder afbreekt en deels bijdraagt aan langdurige koolstofopslag in de bodem. 
> ℹ️ 
> ℹ️ De aanvoer van EOS wordt bepaald op bedrijfsniveau per kalenderjaar, en gemiddeld over het aantal productieve hectares. Zo krijg je een gemiddelde aanvoer van EOS in kg per ha per jaar op bedrijfsniveau. Er worden hierbij drie aanvoerposten onderscheiden: 1) gewasresten van het hoofdgewas; 2) gewasresten van groenbemesters die na de hoofdteelt zijn ingezaaid, en 3) organische meststoffen zoals dierlijke mest, compost en andere bodemverbeteraars.

## Relatie KPI tot doelen

De KPI Organische stof stuurt op verschillende doelen zoals samengevat in de Doelenboom 2.0 (zie hoofdstuk 3 in het hoofdrapport). De twee meest belangrijke doelen zijn Klimaat (koolstofvastlegging), en Bodem (verbeteren bodemstructuur en -beheer, en verbeteren bodembiodiversiteit). 

### Doel: Klimaat 

Koolstofvastlegging in de bodem als klimaatmitigatiestrategie, houdt in dat CO<sub>2</sub> door planten uit de lucht wordt gehaald (via fotosynthese), waarna de koolstof (C) – als de plant afsterft, na compostering of via wortelexudaten – in de vorm van organische stof de bodem in gaat, en daar voor langere tijd wordt vastgelegd. Op deze manier wordt CO<sub>2</sub> dus weggevangen uit de atmosfeer en draagt daardoor niet meer bij aan klimaatverandering door te hoge CO<sub>2</sub>-gehaltes in de atmosfeer (Lal, 2004). Organische stof bestaat voor ongeveer 50% uit koolstof. Wanneer de organisch stof in de bodem terechtkomt en begint te verteren, zal er altijd een deel van de koolstof weer omgezet worden in CO<sub>2</sub>-gas en in de atmosfeer terechtkomen. Dit komt door de respiratie van (micro-)organismen die het organisch materiaal afbreken om er energie en nutriënten uit te halen. Het overige deel van de koolstof uit organisch materiaal wordt ingebouwd in de biomassa van het bodemleven, of blijft als restanten organisch materiaal in de bodem achter en zal op den duur verder afgebroken worden. De term *effectieve organische stof* (EOS) refereert naar het deel van de organische stof dat 1 jaar na toediening van de organische stof nog aanwezig is in de bodem. In landbouwbodems zijn inputs van organische stof onder andere gewasresten, compost en/of dierlijke mest. 

Deze KPI stuurt op een hoge(re) koolstofvastlegging omdat er een duidelijke relatie is tussen organische stof input en koolstofvastlegging in landbouwbodems. De relatie is wel locatie- en contextspecifiek, want de lokale (a)biotische omstandigheden bepalen de afbraaksnelheid en de mate van koolstofopslag op de lange termijn (e.g. Schepens et al., 2025; Gocke et al., 2023; Lessmann et al., 2021). In Nederland houdt het langjarige onderzoeksprogramma [Slim Landgebruik](http://www.slimlandgebruik.nl/) zich bezig met het kwantificeren en onderzoeken van koolstofvastleggende maatregelen in de landbouw. Maatregelen rond extra inputs van organische stof, zoals ‘inzet van groenbemesters en vanggewassen’, ‘extra compost’, ‘extra vaste mest’ en ‘gewasresten achterlaten’ zijn via langetermijnexperimenten en modelberekeningen getest op hun potentie om extra koolstof op te slaan in de bodem. De CO<sub>2</sub>Bodem tabel (Slier et al., 2024) vat de resultaten samen per grondsoort (klei en zand) zoals deze zijn berekend met het RothC-model. Van kleibodems wordt over het algemeen gevonden en gedacht dat deze beter in staat zijn om koolstof op te slaan vergeleken met zandgronden (zie bijvoorbeeld Gross en Glaser, 2021; Gocke et al., 2023). Echter, in Nederland laten Schepens et al. (2025) zien dat in de langetermijnexperimenten waarin door het Slim Landgebruik-programma is gemeten, het kleigehalte geen significant effect heeft op de koolstofopslag in de bodem. Dit is een opvallende vinding en ze suggereren dat de landgebruiksgeschiedenis hier een rol speelt. 

### Doel: Bodem 

Bodemorganische stof is een belangrijk component voor de bodem. Direct of indirect stuurt het allerlei chemische, fysische en biologische processen en speelt het een belangrijke rol bij het in stand houden van de algehele bodemkwaliteit of bodemgezondheid (bijvoorbeeld Weil en Magdoff, 2004; Reeves, 1997). De KPI-doelen onder het thema bodem zijn specifiek gericht op verbeteren bodemstructuur en -beheer, en verbeteren bodembiodiversiteit. Deze twee doelen zijn sterk met elkaar verbonden, omdat het bodemleven (met zijn diversiteit en activiteit) een grote invloed heeft op het vormen van bodemstructuur, en omgekeerd, is het belangrijk voor de bodembiodiversiteit dat de bodem een goede structuur heeft en er niet te veel verstoring plaatsvindt. 

Organische stof is het voedsel voor het bodemleven. Er bestaat een sterke relatie tussen de aanvoer van organische stof en de diversiteit van het bodemleven in landbouwbodems (Faber et al., 2009; Shu et al., 2022). Door de foerageeractiviteiten van het bodemleven en de afbraak van de organische stof door het bodemleven worden allerlei bodemprocessen aangezwengeld. Een daarvan is de formatie van bodemstructuur (Six et al., 2004). Dit gebeurt op verschillende schaalniveaus. Bijvoorbeeld, op een groter schaalniveau worden door wormen (en andere macro- en meso-fauna) gangen gegraven wanneer ze op zoek zijn naar voedsel (organische stof). Door die gangen kan water en zuurstof de bodem in en dit speelt een belangrijke rol in de waterhuishouding van de bodem, en zorgt ervoor dat regenwater snel de bodem in kan trekken. De uitwerpselen van deze wormen vormen de kern waar stabiele bodemaggregaten (kluitjes) rond gevormd worden (Bossuyt et al., 2005). Micro-organismen zoals bacteriën en schimmels scheiden plakkerige enzymen uit om de organische stof af te breken en nutriënten plantbeschikbaar te maken. Ook door deze plakkerige stoffen worden stabiele bodemaggregaten gevormd die zorgen voor een luchtige bodemstructuur. De biologisch gevormde bodemstructuur is essentieel voor een goede waterhuishouding van de bodem (Boyle et al., 1989). Een biologische bodemstructuur bestaat uit stabiele aggregaten met daartussen poriën van verschillende formaten. De grote poriën zorgen ervoor dat water snel de bodem in kan en overtollig water wordt afgevoerd. Dit is belangrijk zodat het water niet over het oppervlak afspoelt, en samen met nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen in sloten terechtkomt. De kleinere poriën zorgen ervoor dat er water in de bovenste bodemlagen vastgehouden wordt, en er ook bij langere tijd zonder regen nog water beschikbaar is voor planten en bodemleven.

### Beleidsdoelen 

In het Nederlandse beleidsprogramma ‘Nationaal Programma Landbouwbodems’ (Ministerie van LNV, 2020) is als doel gesteld ‘alle landbouwbodems duurzaam beheerd in 2030’. Het onderliggende en langetermijndoel is om via duurzaam bodembeheer te zorgen dat landbouwbodems een ‘goede bodemkwaliteit’ krijgen of behouden. Dit beleid sluit aan op de Europese Bodemstrategie (European Commission, 2021, zie ook hoofdstuk 3.3 in het hoofdrapport). De KPI Organische stof draagt bij aan deze beleidsopgave omdat organische stofaanvoer een belangrijke pijler is van duurzaam bodembeheer en het behoud van bodemgezondheid en bodemkwaliteit, zoals hierboven beschreven. Daarnaast heeft de Nederlandse landbouwsector zich in het Klimaatakkoord van 2019 gecommitteerd aan het extra vastleggen van 0,5 Mt CO<sub>2</sub>-equivalent in minerale landbouwbodems. De KPI draagt daaraan bij door te sturen op organische stof (dus koolstof) naar de bodem. 

### Van beleidsdoel naar KPI-score op bedrijfsniveau 

Hoewel er een duidelijke relatie is tussen organische stofinput en koolstofvastlegging, is deze KPI geen directe maat voor koolstofvastlegging. De nettokoolstofvastlegging in de bodem is een balans tussen de hoeveelheid C die de bodem in gaat (input), en de hoeveelheid C die de bodem uit gaat (output). Outputs zijn de afbraak van de verse organische stof die dat jaar de bodem in komt, maar ook afbraak van organische stof die al langere tijd in de bodem aanwezig is (de initiële bodemorganische stof) (e.g. Lal et al., 2015). De afbraaksnelheid van de bodemorganische stof is afhankelijk van verschillende factoren zoals de kwaliteit (chemisch samenstelling) van de bodemorganische stof, de grondsoort, weersomstandigheden, etc. De boer heeft maar beperkt invloed op deze factoren. Het kwantificeren van de werkelijke koolstofafbraak (output) is moeilijk en kent veel onzekerheden. Voor directe veldmetingen is een langjarige en intensieve bemonstering nodig, wat niet realistisch of wenselijk is in deze KPI-context. Voor modelberekeningen zijn er additionele data nodig als modelinput die niet beschikbaar zijn via bijvoorbeeld de Gecombineerde Opgave of andere systemen, onder andere het huidige bodemorganische stofgehalte. Conijn en Lesschen (2015) hebben verschillende modellen gebruikt om de gemiddelde bodemorganische stofafbraaksnelheid in Nederland in te schatten en vonden een bereik van 2.200 tot 3.000 kg ha<sup>-1</sup> jr<sup>-1</sup>, afhankelijk van het model. In Nederland zijn verschillende modellen en tools beschikbaar om een inschatting te maken van de organische stofbalans op perceel- of bedrijfsniveau (BodemCtool, NDICEA, Nutriëntenbalans Akkerbouw (in ontwikkeling), KringloopWijzer Veehouderij, de organische-stof-rekentool tool (NMI) etc. Deze KPI is niet ontwikkeld voor het kwantificeren van koolstofopslag, maar wel het sturen richting koolstofvastlegging. Een vertaling van het beleidsdoel naar KPI-score op bedrijfsniveau zou via regionale drempel- en streefwaardes gestuurd kunnen worden, ondersteund door organische stofbalansmodellen. 

Het tweede beleidsdoel waar de KPI op stuurt, namelijk ‘alle landbouwbodems duurzaam beheerd’, is vanzelfsprekend te linken omdat de KPI-invulling (effectieve organische stofaanvoer) een duurzaam bodembeheermaatregel is. Vanuit duurzaam bodembeheer oogpunt zou gesteld kunnen worden dat organische stofmanagement duurzaam is wanneer de organische stofbalans op zijn minst (drempelwaarde) neutraal is (zodat er in ieder geval geen afname van het organische stofgehalte is). Echter, zoals hierboven uitgelegd, geeft de KPI-score alleen inzicht in de aanvoerkant (input) van de balans. Ook hier geldt dus dat een extra bepaling van de balans nodig is om echt iets te zeggen over hoe effectief/duurzaam het organische stofbeheer is.

## Meer over deze kpi 

> Macro (pagetree)