---
title: "10 - Waterbalans"
canonical: "https://wiki.groenkennisnet.nl/space/kpikll/35258699/10%20-%20Waterbalans"
format: markdown
---
> ℹ️ ## Definitie KPI
> ℹ️ 
> ℹ️ De KPI Waterbalans betreft een benadering waarbij op bedrijfsniveau de watervraag in verhouding tot de waterbeschikbaarheid wordt bepaald aan de hand van het plaats specifieke bodemwatersysteem, lokale neerslag en de geteelde gewassen. Het stuurt op zuinig watergebruik door de keuze van gewassen en het beperken van irrigatie.

De KPI Waterbalans geeft een vereenvoudigd beeld van de waterbalans van een bedrijf op basis van watergebruik per gewas. De score van deze waterbalans wordt berekend op basis van de volgende informatie:

- bedrijfsareaal
- gewassen met bijbehorend areaal
- bodemvochtlevering
- hydrologie (grondwaterstandsverloop)
- neerslagtekort
- potentiële verdamping per gewas
- mate van vochttekort waarbij beregening gestart wordt per gewas
- werkelijke inzet beregening per gewas (voor verfijning van de scoreberekening)
- waterconserverende maatregelen en het effect hiervan (worden eventueel later toegevoegd).

De score voor de KPI Waterbalans is een areaalgewogen gemiddelde voor het hele bedrijf. Een betere score voor de KPI Waterbalans krijg je door minder watervragende gewassen en gewassen met een lagere beregeningsbehoefte in je bouwplan op te nemen. De beoordeling van de score kan per gebied verschillen, afhankelijk van het aanbod en de vraag naar water in een gebied.

Een bedrijf kan bijdragen aan het waterbeheer door het beperken van het watergebruik in droge perioden en het beperken van de afvoer in natte perioden. Beperken van het watergebruik kan door water vast te houden, door gewassen te telen die minder droogtegevoelig zijn of door selectief en efficiënt te beregenen. Het is van belang om onderscheid te maken tussen groen water (natuurlijke neerslag) en blauw water (irrigatie vanuit grond- of oppervlaktewater). Vooral het verbruik van blauw water legt direct beslag op water voor concurrerende functies en is daarom extra belangrijk voor een KPI. Het verbruik van de hoeveelheid groen water is ook van belang, omdat de watervraag van een gewas (type gewas en lengte groeiseizoen) bepaalt hoeveel water in het groeiseizoen aan het bodemwatersysteem onttrokken wordt.

Zoetwaterbeschikbaarheid vraagt in het van oudsher waterrijke Nederland veel aandacht. Een constante aanvoer van rivierwater zal door het veranderende klimaat ook in laag Nederland niet in alle jaargetijden meer vanzelfsprekend zijn. Om minder kwetsbaar te zijn, zijn economie en ecologie gebaat bij het regionaal op jaarbasis in balans brengen van de watervragers – zoals de drinkwatervoorziening, voldoende vocht voor gewassen op het land en zorg voor natte natuur – met de neerslag die in het gebied valt.

Voor de invulling van een KPI op waterkwantiteit is gekeken of gestuurd kan worden op efficiënt watergebruik en waterberging, zodat in tijden van droogte meer water beschikbaar is. Ook draagt dit bij aan het robuuster maken van het landelijk gebied voor klimaatverandering. Grondwaterstanden spelen hierbij ook een belangrijke rol. Het is een zoektocht hoe individuele boeren kunnen worden beloond, terwijl het watersysteem niet alleen door het handelen van de boer zelf wordt gestuurd, maar ook door het waterschap en andere gebruikers in de omgeving van de boer.

In het thema waterkwantiteit spelen (zowel op bedrijfsniveau als op regionaal niveau) peilbeheer en waterbalans een grote rol. Het peilbeheer beïnvloedt zowel het oppervlaktewaterpeil als de grondwaterstand. In de polders van Laag Nederland wordt de grondwaterstand vrijwel geheel bepaald door het slootpeil en de hoge slootdichtheid. De waterbehoefte in Laag Nederland wordt bijna geheel gedekt door de toevoer van water vanuit grote rivieren, echter door klimaatverandering is de wateraanvoer minder gegarandeerd en kunnen tekorten ontstaan (Donkers, 2018). Omgekeerd kan in het geval van extreme neerslag de afvoer beperkt worden door de pompcapaciteit van de gemalen. In Hoog Nederland vindt de afvoer van water grotendeels plaats onder vrij verval. Dit kan vertraagd worden door stuwen te plaatsen om meer water vast te houden. Het peil kan per stuwpand gecorrigeerd worden ten opzichte van het natuurlijke verloop van de grondwaterstand. De mate waarin dat in een regio op perceelsniveau invloed heeft, hangt af van de ligging van een perceel ten opzichte van de stuw. Verder weg betekent minder beïnvloeding door de stuw. In Hoog Nederland wordt de waterhuishouding van een perceel vooral bepaald door de waterbalans en dus het gebruik en beheer van een perceel. Het peilbeheer is de verantwoordelijkheid van het waterschap en draagt hierdoor meer het karakter van een opgelegde conditie, dan van een beïnvloedbare managementindicator. Peilbeheer werd zodoende een minder geschikte ingang gevonden voor de invulling van een KPI en zodoende is de focus komen te liggen op het thema waterbalans.

De waterbalans wordt op verschillende punten direct door de bedrijfsvoering beïnvloed (transpiratie, beregenen, stuwen, water bergen, draineren; zie figuur 1.1). Hierdoor is de waterbalans gemakkelijker te vertalen naar indicatoren die zijn te herleiden tot de bedrijfsvoering. De grondwaterstand is vooral het resultaat van het regionale peilbeheer en wordt slechts in beperkte mate door de bedrijfsvoering beïnvloed (uitzonderingen: onderbemaling en stuwen). Een bedrijf kan bijdragen aan het waterbeheer door het beperken van de aanvoer in droge perioden en door het beperken van de afvoer in natte perioden. Beperken van de aanvoer kan door de gewastranspiratie te beperken, door gewassen te telen die minder afhankelijk zijn van wateraanvoer, of door het beperken van beregening. Hier is het van belang om onderscheid te maken tussen groen water (natuurlijke neerslag) en blauw water (irrigatie vanuit grond- of oppervlaktewater). Blauw water wordt vooral gebruikt voor het beregenen van grasland voor weidegang van melkvee en van kapitaalintensieve akkerbouwgewassen (aardappels, uien, conserventeelten en bloembollen) om productie- en kwaliteitsverlies te voorkomen. Beperken van afvoer (=waterberging) 1 kan door de bodem jaarrond zo veel mogelijk bedekt te houden, niet te draineren en de fysische bodemkwaliteit te bewaken of te versterken. Zowel bodembedekking als een goede fysische bodemkwaliteit bevorderen infiltratie (opslag van groen water in de bodem beperkt de aanvoer via beregening) en beperken de oppervlakkige afspoeling (meer berging betekent minder afvoer). Peilgestuurde samengestelde drainage verdient de voorkeur boven gangbare drainage, omdat water daarmee beter vastgehouden kan worden in het voorjaar.

Vooral het verbruik van blauw water legt direct beslag op water voor concurrerende functies en is daarom extra belangrijk voor een KPI. Het verbruik van groen water is ook van belang, omdat meer groen water verbruik leidt tot minder grondwateraanvulling. Een KPI op basis van de samenstelling van de vruchtwisseling en het waterverbruik van de afzonderlijke gewassen werd zodoende als een zinvolle invulling van de KPIWaterkwantiteit beschouwd. Het blauw watergebruik is een belangrijke component in de waterbalans, echter beregening wordt nog niet of nauwelijks geregistreerd. Op korte termijn is er geen mogelijkheid om hier in de KPI gebruik van te maken. Een KPI op basis van registratie van beregening vergt verdere uitwerking van een systeem dat het debiet of de pompuren bijhoudt. Als alternatief wordt de beregeningsbehoefte getaxeerd op basis van een modelmatige benadering. Wanneer beregeningsgiften wel bekend zijn dan kunnen getaxeerde hoeveelheden vervangen worden door geregistreerde hoeveelheden.

![2026-002-10 Figuur1.1_KPI-K waterbalans.png](media://dc700eb0-da08-4a24-9862-563317f51a57)

## Relatie KPI tot doelen 

Er spelen veel opgaven in het landelijk gebied waarbij de waterbalans een belangrijke rol speelt. Het kan gaan om te veel (overlast) of te weinig water (droogte). Verschillende functies in het landelijk gebied concurreren om het beschikbare water en om de ideale grondwaterstand of oppervlaktewaterpeil. Bij de wateropgaven in het landelijk gebied speelt verandering van het klimaat een steeds grotere rol. Drogere zomers en langere droge perioden, nattere winters en meer piekbuien vormen het meest waarschijnlijke toekomstscenario voor Nederland. Omdat de zoetwatervoorziening onder druk staat, worden maatregelen genomen door de verschillende gebruikers van water om de watertekorten in tijden van droogte te beperken. Er moeten opnieuw afwegingen worden gemaakt tussen het risico op droogteschade versus een groter risico op natschade. Boeren hebben water nodig voor de groei van de gewassen en hebben daardoor invloed op het watersysteem. De KPI taxeert in hoeverre het bedrijf water uit het watersysteem haalt voor het waterverbruik van de gewassen. Door handvatten en inzicht in het watergebruik van agrarische ondernemers te geven kan (overmatig) watergebruik worden beperkt. Dit komt de regionale waterbalans ten goede. Daarmee kan de KPI-waterbalans een brugfunctie vervullen tussen duurzaamheidsdoelen van maatschappelijke partijen (waterschap en provincie) en [de dagelijkse praktijk op het landbouwbedrijf.](https://wiki.groenkennisnet.nl/space/kpikll/36372551/KPI+-+Algemeen)

Op het niveau van de duurzaamheidsdoelen ligt de relatie met waterkwantiteit vooral bij klimaatadaptatie, verbeteren van het waterbeheer en het verbeteren van de bodemkwaliteit (Vogelij et al., 2025). Klimaatverandering vereist adaptatie aan extremer weer (langer droog en langer nat) en kan ook een bijdrage leveren aan mitigatie, bijvoorbeeld door meer koolstof in de bodem vast te leggen, inclusief het voorkomen van veenoxidatie via een hoger grondwaterpeil. Verbeteren van het waterbeheer spreekt voor zich, maar het is goed om ook op de samenhang tussen kwantiteit en kwaliteit te benadrukken. Het aspect waterkwaliteit wordt momenteel meegenomen via de KPI’s voor N- en P-balans en de milieubelasting van gewasbeschermingsmiddelen. Bodemkwaliteit is van belang voor waterkwantiteit, omdat de fysieke eigenschappen van de bodem invloed hebben op de waterbalans, met name de verhouding tussen oppervlakkige afvoer en grondwateraanvulling (infiltratie).

Daarnaast is er een relatie met biodiversiteit, enerzijds vanwege de samenhang met vooral natte natuur, die hogere peilen vraagt, anderzijds omdat de inrichting van waterlopen de groenblauwe dooradering beïnvloedt (connectiviteit, (natte) bufferstroken).

Volgens het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) is water een essentiële hulpbron voor de landbouw en beïnvloedt de gewasopbrengsten, de gezondheid van vee en de algehele voedselzekerheid. Het GLB in Europa benadrukt duurzame maatregelen op het gebied van waterbeheer om de waterkwaliteit en -beschikbaarheid te beschermen, met name met het oog op [klimaatveranderingsuitdagingen zoals droogte en overstromingen.](https://eu-cap-network.ec.europa.eu/sites/default/files/publications/2024-04/eu-cap-network-policy-insight-water-efficiency-for-rural-europe.pdf) Volgens een beknopte literatuurscan kon internationaal geen invulling van een KPI op het gebied van waterkwantiteit gevonden worden. 

De KPI geeft geen directe aanwijzingen voor regiospecifieke maatregelen voor waterkwantiteit (verandering peilbeheer, waterconserveringsmaatregelen). De vertaalslag naar regiospecifieke maatregelen moet gemaakt worden in samenspraak met waterschappen en provincies en mogelijk ook drinkwaterbedrijven, om zo een duidelijk beeld te creëren wat de handelingsperspectieven van boeren zijn voor het vasthouden van water binnen een regio. De context van de regio (bodemtype en grondwaterstanden) wordt wel meegenomen in deze KPI.

## Meer over deze kpi 

> Macro (pagetree)