---
title: "5 - Broeikasgassen"
canonical: "https://wiki.groenkennisnet.nl/space/kpikll/34603431/5%20-%20Broeikasgassen"
format: markdown
---
> ℹ️ ## Definitie KPI’s
> ℹ️ 
> ℹ️ De stijging in de concentratie van broeikasgassen in de atmosfeer draagt bij aan klimaatverandering (IPCC, 2013; 2021). Broeikasgassen uit de landbouw betreffen de emissie van methaan (CH<sub>4</sub>), lachgas (N<sub>2</sub>O) en koolstofdioxide (CO<sub>2</sub>), en de onttrekking van CO<sub>2</sub> uit de atmosfeer, veroorzaakt door landbouwactiviteiten. De emissies ontstaan uit dieren, mest, bodem en brandstofverbruik op het bedrijf, bij landgebruiksverandering, en bij de productie en transport van grondstoffen aangevoerd op het bedrijf. De onttrekking van CO<sub>2</sub> uit de atmosfeer vindt plaats door nettokoolstofvastlegging in de bodem of in houtige biomassa (CO<sub>2</sub>-sinks). De totale broeikasgasemissie wordt uitgedrukt in CO<sub>2</sub>-equivalenten (CO<sub>2</sub>-eq), omdat de gassen in verschillende mate bijdragen aan het broeikaseffect. Bij de optelling van emissies wordt daarom een weging gebruikt voor de mate waarin elk gas bijdraagt aan het broeikaseffect. De nettobroeikasgasemissie wordt berekend door de vastlegging van koolstof door onttrekking van CO<sub>2</sub> uit de atmosfeer af te trekken van de totale broeikasgasemissie.
> ℹ️ 
> ℹ️ *Afbakening KPI’s *
> ℹ️ 
> ℹ️ De precieze definitie van de KPI hangt af van keuzes die gemaakt worden in de afbakening van het landbouwsysteem, dat bepaalt welke emissiebronnen en CO<sub>2</sub>-sinks worden meegenomen. Vanwege de doelen en rapportageverplichtingen van de Nederlandse overheid en het bedrijfsleven, zijn in het KPI-K-project twee afbakeningen uitgewerkt (visueel weergegeven in figuur 1.1): 
> ℹ️ 
> ℹ️ - *Ketenbenadering (LCA*) Alle broeikasgasemissies (CH<sub>4</sub>, N<sub>2</sub>O en CO<sub>2</sub>) en koolstofvastlegging op het landbouwbedrijf en in de aanvoerketen, volgens de Levenscyclusanalyse (LCA)- methode.
> ℹ️ - *Bedrijfsbenadering (NIR-landbouw)* Alleen de broeikasgasemissies op het landbouwbedrijf die vallen onder de sector Landbouw in de nationale emissieregistratie ([National Inventory Report; NIR](https://www.emissieregistratie.nl/documentatie/nir)): CH<sub>4</sub> uit dieren en mest, N<sub>2</sub>O uit mest en bodem, en CO<sub>2</sub> emissie bij aanwending kalk en ureum.
> ℹ️ 
> ℹ️ Voor wat betreft de bedrijfsbenadering is gekozen om de KPI alleen uit te werken voor emissies in de NIR-sector Landbouw, maar daar kunnen in de toekomst emissies in andere NIR-sectoren worden toegevoegd (bijvoorbeeld landgebruik; zie toelichting in Box 1). Verder is in het KPI-K-project ervoor gekozen om de KPI’s vooralsnog alleen uit te werken voor de melkveehouderij en akkerbouwsector.
> ℹ️ 
> ℹ️ ![Slide1-20260424-125319.jpg](media://5a801346-4941-41ff-bb65-16f634774fbf)
> ℹ️ 
> ℹ️ *Uitgewerkte KPI’s *
> ℹ️ 
> ℹ️ In deze notitie zijn 5 KPI’s uitgewerkt, waarbij voor melkvee de emissies in de bedrijfsbenadering verder zijn onderverdeeld naar emissies uit dier, stal en mestopslag (DSM) en veld (VELD). In ‘Relatie KPI’s tot doelen' hieronder wordt uitgelegd waarom voor deze KPI’s is gekozen, en in [5.1 Data en berekeningswijze](https://wiki-groenkennisnet.atlassian.net/wiki/spaces/kpikll/pages/531759129) wordt de berekeningswijze per KPI verder toegelicht. 
> ℹ️ 
> ℹ️ KPI’s voor melkveehouderij: 
> ℹ️ 
> ℹ️ 1. BKG<sub>LCA</sub> in kg CO<sub>2</sub>-eq per kg meetmelk (ketenbenadering)
> ℹ️ 2. BKG<sub>NIR-DSM</sub> in kg CO<sub>2</sub>-eq per fosfaatrecht (bedrijfsbenadering)
> ℹ️ 3. BKG<sub>NIR-VELD</sub> in kg CO<sub>2</sub>-eq per hectare (bedrijfsbenadering) KPI’s voor akkerbouw:
> ℹ️ 4. BKG<sub>LCA</sub> in kg CO<sub>2</sub>-eq per hectare (ketenbenadering)
> ℹ️ 5. BKG<sub>NIR</sub> in kg CO<sub>2</sub>-eq per hectare (bedrijfsbenadering)

## Relatie KPI’s tot doelen

*Klimaatdoelen overheid en bedrijfsleven *

Om broeikasgasemissies terug te dringen hebben zowel nationale overheden als internationaal bedrijfsleven zich gecommitteerd aan klimaatdoelen.<sup>2</sup> Een belangrijk verschil is dat in het bedrijfsleven een ketenbenadering (LCA) wordt gehanteerd om broeikasgasemissies inzichtelijk te maken, vaak uitgedrukt in een hoeveelheid emissie per eenheid geproduceerd product. Met een dergelijke ‘product carbon footprint’ kunnen producten van verschillende producenten vergeleken worden ten aanzien van hun uitstoot van broeikasgassen. Grotere bedrijven in de voedingsindustrie zijn sinds kort verplicht te rapporteren over hun uitstoot (EU CSRD-richtlijn), inclusief emissies van toeleverende landbouwbedrijven (zogenaamde Scope 3 categorie). De KPI’s **BKG**<sub>**LCA**</sub> die zijn opgenomen in dit rapport sluiten aan bij de ketenbenadering gehanteerd in het internationale bedrijfsleven. 

Ook de Nederlandse overheid heeft zich gecommitteerd aan internationale afspraken, zoals het Parijsakkoord (2015) en de Global Methane Pledge (2021). De overheid hanteert echter een andere afbakening van emissies omdat de emissies die buiten de landsgrenzen plaatsvinden niet onder de afspraken voor nationale doelen vallen. Een LCA is daarom niet geschikt. Om de Nederlandse doelen voor emissiereductie – 55% in 2030 en klimaatneutraliteit in 2050 – te realiseren, zijn afspraken gemaakt tussen de overheid en de verschillende sectoren in Nederland, waarbij per sector een indicatieve restemissie is vastgesteld (streefwaarde voor de hoeveelheid uitstoot die een sector in 2030 nog mag hebben). Voor de sector Landbouw is een indicatieve restemissie van circa 17,9 Mton CO<sub>2</sub>-equivalenten in 2030 vastgesteld, waarvan 13,6 Mton afkomstig uit de veehouderij en akkerbouw ([Kamerbrief over de Voorjaarsbesluitvorming Klimaat; EZK, 2023](https://open.overheid.nl/documenten/ronl-77b639d132c52e5e1d75a36381fb6e60748ed8bb/pdf)). In het KPI-K-project is daarom voor aanvullende KPI’s gekozen: **BKG**<sub>**NIR**</sub> (op dit moment beperkt tot NIR-landbouw; zie Box 1). Op het moment van schrijven zijn nationale en sectorale klimaatdoelen nog niet doorvertaald naar emissiereductiedoelen op bedrijfsniveau, maar verkent de overheid wel invoering van bedrijfsgerichte doelsturing als instrument om deze klimaatdoelen te realiseren.

*Functionele eenheid *

Om prestaties van bedrijven op het gebied van broeikasgassen te vergelijken, is een referentie-eenheid nodig, ook wel ‘functionele eenheid’ genoemd (zie uitleg in Box 2). Hiermee kunnen klimaatprestaties van bedrijven van verschillende omvang met elkaar worden vergeleken. 

Voor BKG<sub>LCA</sub> wordt aangesloten bij internationale richtlijnen voor LCA. In de melkveehouderij dienen broeikasgasemissies te worden uitgedrukt in kg CO<sub>2</sub>-eq per kg meetmelk (IDF, 2022). In de akkerbouw worden broeikasgasemissies doorgaans uitgedrukt in kg CO<sub>2</sub>-eq per ha of per kg product. In dit project is gekozen om te rapporteren op bedrijfsniveau, daarom is gekozen voor de functionele eenheid hectare. In de akkerbouwsector is de functionele eenheid ‘kg product’ op bedrijfsniveau problematisch omdat het gaat om meerdere gewassen, waardoor er geen eenduidige betekenis is voor product. Hoewel de keuze is gemaakt voor hectare als functionele eenheid op bedrijfsniveau kan het resultaat bij berekening op gewasniveau wel uitgedrukt worden per kg product, hetgeen nuttig kan zijn voor de afnemende industrie. 

Voor BKG<sub>NIR</sub> zijn er nog geen richtlijnen voor een functionele eenheid voor emissies op bedrijfsniveau. In een recente publicatie van Reijs en De Vries (2024) wordt uitgelegd dat het voor het doel van de overheid om emissies die onder NIR Landbouw vallen te verminderen niet logisch is om dezelfde functionele eenheid te hanteren als in een LCA (bijvoorbeeld kg meetmelk). De reden is dat voor vermindering van de NIR-landbouwemissies in Nederland het van belang is dat de totale (absolute) emissie op Nederlands grondgebied daalt, niet de relatieve emissie per kg geproduceerd product. Bij een hogere melkproductie per koe kunnen emissies per kg meetmelk dalen, maar hoeven de totale (absolute) emissies die vallen onder NIR Landbouw daarmee niet noodzakelijk te dalen, en kunnen zelfs stijgen bij een toename van de productiviteit. Reijs en De Vries (2024) hebben twee alternatieve functionele eenheden aangedragen voor het

monitoren van NIR-landbouwemissies in de melkveehouderij: 

- fosfaatrecht<sup>4</sup> voor de emissies uit dier, stal en mestopslag
- hectare voor de emissies uit veld.

De keuze van deze functionele eenheden biedt voordelen ten opzichte van andere eenheden omdat er niet of nauwelijks gestuurd kan worden op emissies via de noemer, en de eenheden een begrenzing kennen (fosfaatplafond, landbouwhectares). Daarmee wordt gestuurd op verminderen van totale (absolute) emissies in de NIR-sector Landbouw. 

Voor de melkveeveehouderij worden emissies gesplitst in 1) emissies uit dier, stal en mestopslag en 2) veldemissies. De reden is dat bij samenvoeging van de emissies alsnog zou kunnen worden gestuurd op emissies via de noemer (hectares of fosfaatrechten). Daarnaast zijn veldemissies op dezelfde wijze als voor akkerbouw berekend waardoor situaties met grondruil tussen akkerbouw en melkveehouderij geen problemen geeft. Wanneer totale bedrijfsemissies per hectare worden uitgedrukt, kan gestuurd worden op lagere emissie door meer grond onder het bedrijf (emissies uit dier, stal en mestopslag worden gedeeld door meer hectares). Wanneer totale bedrijfsemissies per fosfaatrecht worden uitgedrukt, kan gestuurd worden op lagere emissie door minder grond onder het bedrijf (lagere grondgebondenheid, bijvoorbeeld bij uitbreiding veestapel), waardoor de emissies van voerteelt niet meetellen. 

In het KPI-K-project is daarom ervoor gekozen om voor BKG<sub>NIR</sub> in de melkveehouderij twee KPI’s te hanteren: **BKG**<sub>**NIR-DSM**</sub> in kg CO<sub>2</sub>-eq **per fosfaatrecht** en** BKG**<sub>**NIRVELD**</sub> in kg CO<sub>2</sub>-eq **per hectare**.

> ℹ️ ## Box 1: Indeling van broeikasgassen in NIR 
> ℹ️ 
> ℹ️ Broeikasgasemissies op het landbouwbedrijf vallen onder diverse sectoren in de nationale emissieregistratie (National Inventory Report; NIR)<sup>1</sup> en worden ingedeeld naar sectoren volgens een internationaal vastgesteld format (Common Reporting Tables; CRT). In dit project is gekozen om de KPI BKG<sub>NIR</sub> alleen uit te werken voor emissies in de NIR-sector Landbouw, maar een belangrijk deel van emissies uit landbouwbodems vallen onder NIR-sector ‘Land Use, Land-Use Change and Forestry’ (LULUCF; in dit rapport ‘Landgebruik’ genoemd). Voor de hand ligt om in de toekomst emissies die vallen onder de NIR-sector Landgebruik toe te voegen (zie paragraaf Discussie). Hieronder wordt aangegeven welke emissies en CO<sub>2</sub>-sinks onder de NIR-sector Landbouw vs. Landgebruik vallen (voor een volledig overzicht, zie Vonk et al., 2021).
> ℹ️ 
> ℹ️ Broeikasgassen die vallen onder NIR-sector landbouw (RIVM, 2025): 
> ℹ️ 
> ℹ️ - CH<sub>4</sub> uit pens- en darmfermentatie (CRT cat. 3A)
> ℹ️ - CH<sub>4</sub> uit mestmanagement (CRT cat. 3B)
> ℹ️ - N<sub>2</sub>O uit mestmanagement (CRT cat. 3B), inclusief directe N<sub>2</sub>O-emissie en indirecte N<sub>2</sub>O-emissie volgend op atmosferische depositie van NH<sub>3</sub> en NOx uit mestmanagement.
> ℹ️ - N<sub>2</sub>O uit landbouwbodems (CRT cat. 3D), inclusief:
> ℹ️   - directe N<sub>2</sub>O door stikstofbemesting (kunstmest, organische mest), weidegang, gewasresten, gebruik van organische bodems (stikstofmineralisatie, inclusief veen) en scheuren van grasland;
> ℹ️   - indirecte N<sub>2</sub>O-emissies volgend op atmosferische depositie van NH<sub>3</sub> en NOx en uit- en afspoeling van stikstof naar de bodem, gerelateerd aan stikstofbemesting.
> ℹ️ - CO<sub>2</sub> bij aanwending kalksteen en dolomiet (CRT cat. 3G) en ureum (3H)
> ℹ️ 
> ℹ️ Broeikasgassen en CO<sub>2</sub>-sinks in de landbouw vallen onder NIR-sector Landgebruik (Arets et al., 2022) 
> ℹ️ 
> ℹ️ - Minerale bodems:
> ℹ️   - CO<sub>2</sub>-emissie en koolstofvastlegging door veranderingen in koolstofvoorraden bij verandering in landgebruik
> ℹ️   - N<sub>2</sub>O-emissies gerelateerd aan stikstofmineralisatie bij verandering in landgebruik
> ℹ️ - Organische bodems:
> ℹ️   - CO<sub>2</sub>-emissie door veenoxidatie
> ℹ️   - CO<sub>2</sub>-emissie en koolstofvastlegging bij verandering in landgebruik
> ℹ️   - CH<sub>4</sub>-emissie uit organische bodems en sloten
> ℹ️ 
> ℹ️ N2O-emissie als gevolg van de mineralisatie van organische stikstof in organische bodems worden gerapporteerd onder NIR-sector Landbouw (categorie 3D).

Broeikasgassen hebben een mondiaal effect, wat betekent dat verplaatsing van emissies naar het buitenland geen oplossing voor het klimaatprobleem is. Om internationaal broeikasemissies te verlagen én te voldoen aan nationale klimaatdoelen, is het van belang om zowel een ketenbenadering (BKG<sub>LCA</sub>) als bedrijfsbenadering (BKG<sub>NIR</sub>) te hanteren. Overkoepelend uitgangspunt is daarom een hybride systeem toe te passen met zowel een LCA- als NIR-benadering. KPI’s in het hybride systeem zijn complementair: de KPI BKG<sub>NIR</sub> stuurt op het verminderen van absolute uitstoot van broeikasgasemissies uit de Nederlandse landbouw, en via BKG<sub>LCA</sub> wordt voorkomen dat emissies verplaatsen naar het buitenland of naar andere sectoren in Nederland, of emissies per eenheid product stijgen. Hiermee stuurt het hybride systeem zowel op nationale als internationale emissies.

> ℹ️ ## Box 2: Achtergrondinformatie broeikasgassen 
> ℹ️ 
> ℹ️ *Broeikasgassen verschillen in levensduur en opwarmingspotentieel *
> ℹ️ 
> ℹ️ CO<sub>2</sub>, CH<sub>4</sub> en N<sub>2</sub>O dragen in verschillende mate bij aan het broeikaseffect, en hebben een verschillende verblijftijd in de atmosfeer voordat ze worden afgebroken of opgenomen door een zogenaamde ‘sink’ (bijvoorbeeld oceanen of vegetatie). Om de bijdrage van de verschillende gassen te vergelijken, wordt **Global Warming Potential (GWP) **gebruikt. GWP is een maat voor de opwarmingseffecten van 1 kg gas over een bepaalde tijdsperiode, vergeleken met 1 kg CO<sub>2</sub>. GWP₁₀₀ wordt in officiële richtlijnen gebruikt en vergelijkt de opwarming door gassen over 100 jaar. 
> ℹ️ 
> ℹ️ CO<sub>2 </sub>(koolstofdioxide) is een relatief zwak broeikasgas per molecuul (GWP₁₀₀ = 1), maar zeer lang aanwezig in de atmosfeer (al kent het geen eenduidige atmosferische levensduur, maar een spectrum: circa 40% van de uitstoot blijft na honderd jaar aanwezig, circa 20% na duizend jaar). 
> ℹ️ 
> ℹ️ N<sub>2</sub>O (lachgas) is een sterker broeikasgas dan CO<sub>2</sub> (GWP₁₀₀ = 273 kg CO<sub>2</sub> per kg N<sub>2</sub>O) en langer aanwezig (circa 121 jaar) (IPCC AR6, 2021). 
> ℹ️ 
> ℹ️ CH<sub>4</sub> (methaan) is ook een sterker broeikasgas dan CO₂ (GWP₁₀₀ = 27-30 kg CO2 per kg CH<sub>4</sub>), maar korter aanwezig (circa 12 jaar). Vanwege het hoge GWP en de relatief korte levensduur van CH<sub>4</sub> heeft dit gas veel potentie om de opwarming van de aarde op korte termijn te beperken. Voor methaan moet onderscheid gemaakt worden in fossiele CH<sub>4 </sub>en biogene CH<sub>4</sub>. Methaan afkomstig uit fossiele bronnen (bijvoorbeeld aardgas, steenkool, olie) zorgt voor toevoer van extra CO<sub>2</sub> in de atmosfeer op het moment dat de CH<sub>4</sub> afbreekt, omdat die koolstof eerder ondergronds was opgeslagen. Het voegt dus CO<sub>2</sub> toe aan de atmosfeer. Methaan afkomstig uit biogene bronnen (zoals vee, rijstvelden) is onderdeel van een kortcyclische koolstofkringloop: CO<sub>2</sub> was door planten opgenomen uit de lucht, de koolstof wordt omgezet en uitgestoten als CH<sub>4,</sub> en zal na afbraak van CH<sub>4</sub> in de atmosfeer weer terugkeren naar CO<sub>2</sub>. Biogene CH<sub>4</sub> (GWP₁₀₀=27 kg CO<sub>2</sub>) heeft daarom een minder langdurige netto-opwarming dan fossiele CH<sub>4</sub> (GWP₁₀₀=29,8 kg CO<sub>2</sub>; IPCC AR6, 2021). 
> ℹ️ 
> ℹ️ Het totale broeikaseffect van de verschillende gassen wordt berekend door de gassen uit te drukken in **CO**<sub>**2**</sub>**- equivalenten** (CO<sub>2</sub>-eq), waarbij wegingen (GWP-waardes) worden gebruikt voor de mate waarin elk gas bijdraagt aan het broeikaseffect. Nationale overheden dienen momenteel te rapporteren met GWP-waardes uit het IPCC Fifth Assessment Report (IPCC AR5, 2013). Voor de NIR worden daarom andere GWP-waardes gehanteerd dan in de KringloopWijzer voor de melkveehouderij, die de in 2021 aangepaste GWP-waardes hanteert (IPCC AR6, 2021).<sup>1</sup> 
> ℹ️ 
> ℹ️ *Broeikasgassen hebben een mondiaal effect *
> ℹ️ 
> ℹ️ Voor het broeikaseffect maakt het niet uit waar op aarde de emissies plaatsvinden, of het nou in Nederland is of elders. Dat betekent dat het verplaatsen van emissiebronnen geen oplossing is voor het klimaatprobleem. Met andere woorden, als in Nederland de uitstoot van broeikasgassen wordt verlaagd, maar als direct gevolg hiervan de emissies buiten Nederland stijgen (in dezelfde mate), is er netto geen bijdrage aan het broeikaseffect. Hetzelfde geldt voor sectoren en bedrijven onderling: als een sector of bedrijf emissies verlaagt, maar emissies stijgen in een andere sector of bedrijf als direct gevolg van die verlaging, dan is er netto geen bijdrage aan het broeikaseffect. Hetzelfde geldt ook voor broeikasgassen onderling: als CO<sub>2</sub>-emissies worden verlaagd, maar CH<sub>4</sub> - of N<sub>2</sub>O-emissies stijgen, is er mogelijk geen gunstig netto effect. Het is dus van belang dat er geen afwenteling van emissies plaatsvindt.
> ℹ️ 
> ℹ️ *Om broeikasgassen te monitoren op bedrijfsniveau is een referentie-eenheid nodig*
> ℹ️ 
> ℹ️ De prestaties van bedrijven op het gebied van broeikasgassen zijn lastig te vergelijken wanneer alleen de absolute (totale) emissies vergeleken worden, omdat bedrijven verschillende omvang hebben (grotere en kleinere bedrijven). Het uitdrukken van de totale hoeveelheid emissie van een bedrijf in een referentie-eenheid stelt in staat om klimaatprestaties van bedrijven van verschillende omvang (grotere en kleinere bedrijven) te vergelijken (Reijs en De Vries, 2024). Deze referentie-eenheid noemen we een **functionele eenheid (FU)**. Voorbeelden van FU’s zijn een kg meetmelk, een hectare of een fosfaatrecht. De gekozen FU heeft geen invloed op de hoeveelheid emissie in de teller van de breuk; bij elke FU wordt dezelfde hoeveelheid emissie (bijvoorbeeld in g CO<sub>2</sub>-equivalenten) in de teller gebruikt, en verschilt alleen de noemer.

## Meer over deze kpi 

> Macro (pagetree)



<sup>1 </sup>[https://www.emissieregistratie.nl/documentatie/nir](https://www.emissieregistratie.nl/documentatie/nir)<sup> </sup>

<sup>2 Een uitgebreide toelichting op internationale en nationale beleidsdoelen wordt gegeven in het KPI-K-hoofdrapport.</sup>

<sup>3 </sup><sup>[https://open.overheid.nl/documenten/ronl-77b639d132c52e5e1d75a36381fb6e60748ed8bb/pdf](https://open.overheid.nl/documenten/ronl-77b639d132c52e5e1d75a36381fb6e60748ed8bb/pdf)</sup>

<sup>4 In het onderzoek is vooral gekeken naar het aantal benodigde fosfaatrechten (benaderd via de forfaitaire </sup>  
<sup>fosfaatexcretie) als functionele eenheid. Hierbij is in het midden gelaten of er ook een daadwerkelijke koppeling aan het fosfaatrechtensysteem zal worden gemaakt.</sup>