---
title: "Letterlijk citaat van het ‘Rekenregel rapport’ van de KringloopWijzer:"
canonical: "https://wiki.groenkennisnet.nl/space/MI/12419113/Letterlijk%20citaat%20van%20het%20%E2%80%98Rekenregel%20rapport%E2%80%99%20van%20de%20KringloopWijzer%3A"
format: markdown
---
Het in beeld brengen van de kringlopen van het bedrijf gebeurt stap voor stap en leidt uiteindelijk tot onder­staande, berekende kengetallen op jaarbasis. In Figuur 1.1 is hun plek in de kringloop weergegeven.

1. Mestproductie: excretie stikstof (N) en fosfaat (P<sub>2</sub>O<sub>5</sub>) van melkvee met bijbehorend jongvee en daarnaast ‘overige graasdieren’ (fokstieren, weide- en zoogkoeien, roodvleesstieren, rosekalveren, schapen, geiten, paarden, pony’s) en de excretie door een eventuele tak ‘staldieren’ (geiten, varkens, kippen, vleeskalveren);
2. Efficiëntie van de veevoeding (= omzetting van voer in melk en vlees): benutting N en P<sub>2</sub>O<sub>5</sub>; (de berekening beperkt zich vooralsnog tot die van melkveestapel inclusief bijbehorend jongvee)
3. Emissie van ammoniak (NH<sub>3</sub>), verdeeld over stal en mestopslag, beweiding, uitrijden dierlijke mest en gebruik kunstmest;
4. Opbrengst grasland, snijmaïsland en overige akkerbouwgewassen (ruwvoer en niet-ruwvoer): droge stof, kVEM, N en P<sub>2</sub>O<sub>5</sub>;
5. Efficiëntie van de bemesting (=omzetting van meststoffen in gewasopbrengst, inclusief die van de niet-ruwvoer akkerbouwgewassen): benutting N en P<sub>2</sub>O<sub>5</sub> aanwezig in kunstmest en dierlijke mest;
6. Bodemoverschot van N en P<sub>2</sub>O<sub>5</sub> en de toevoer van effectieve organische stof aan de bodem van het grasland, snijmaïsland en eventuele overige akkerbouwgewassen (ruwvoer en niet-ruwvoer);
7. Nitraat (NO<sub>3</sub>) in grondwater; dit kengetal zal overigens pas in beeld gebracht worden na een toetsing aan een recente onafhankelijke dataset;
8. Emissie broeikasgassen methaan (CH<sub>4</sub>), lachgas (N<sub>2</sub>O) en kooldioxide (CO<sub>2</sub>);
9. Bedrijfsoverschot N, P<sub>2</sub>O<sub>5</sub> en C;
10. Efficiëntie van het bedrijf (=deel van aangevoerde mineralen dat in melk, vlees dan wel (af te voeren) niet-ruwvoer akkerbouwgewassen wordt omgezet): benutting N en P<sub>2</sub>O<sub>5</sub> in aangekocht voer of aangekochte meststoffen.

Dit rapport heeft tot doel om te beschrijven hoe bovenstaande kengetallen berekend worden en op welke invoer­gegevens ze gebaseerd zijn.

![image](media://69d4f677-07a2-4247-9683-ea62b151e12d)

###### Figuur 1.1  De plek van de kengetallen (zie nummers hierboven) in de stofstroom van bedrijven. 

### De kringlopen in meer detail

Om bedrijven onderling op basis van een kengetal te kunnen vergelijken zijn afspraken nodig over de berekenings­wijze van het desbetreffende kengetal. Die berekeningswijze moet zo veel mogelijk recht doen aan het feit dat bedrijven van elkaar verschillen qua ingaande en uitgaande stromen. Figuur 1.2 geeft hiervan een eerste beeld. Uit die figuur wordt duidelijk dat de som van de posten waarmee N, P en C het bedrijf binnengaan (termen A t/m F) vanwege de wet van behoud van massa gelijk moet zijn aan de som van de posten die het bedrijf weer verlaten (termen G t/m M) en de eventuele voorraadwijzigingen binnen het bedrijf. Binnen het bedrijf blijken nog veel meer stromen te onderscheiden (Figuur 1.3). Nutriënten in de vorm van depositie, kunstmest, weidemest en ‘stalmest’ (inclusief voerresten) en eventueel biologische N binding en mineraliserend veen, stellen de bodem in staat om gewassen te laten groeien. Die groei leidt naast een oogstbaar product ook tot een hoeveelheid onoogstbaar gewas in de vorm van wortels en stoppels welke vroeg of laat afsterven, verteren en als nutriënt naar de bodem terug­keren. Maar ook van het oogstbare deel van de groei is niet alles benutbaar. Omdat enige maai-, oogst- en beweidingsverliezen onvermijdelijk zijn, zal namelijk steeds iets minder daadwerkelijk geoogst of tijdens beweiding gegeten worden dan er gegroeid is. Het verloren deel keert, net als de gewasresten, goeddeels terug naar de bodem. Maar zelfs van het deel van de oogst dat het veld ‘over de dam’ verlaat, zal niet alles vervolgens ook volledig door het vee kunnen worden opgenomen. Tijdens de conservering van gewassen zal een deel verloren gaan en ook tussen uitkuilen en opname treden nog verliezen op, de zogenaamde voerverliezen. Tabel 1.1 geeft een overzicht van de diverse verliespercentages die vooralsnog in de KringloopWijzer worden aangehouden. Deze verschillen per product en, binnen een product, per inhoudsstof. In werkelijkheid hebben deze verliezen geen vaste waarde en zullen zij variëren als gevolg van onder meer het management. Het is echter onmogelijk om de waarden op een eenvoudige en betrouwbare manier per bedrijf te specificeren.


###### Tabel 1.1    Door de KringloopWijzer gehanteerde procentuele veldverliezen (beweidingsverliezen bij weidegras, maaiverliezen bij gemaaid gras, oogstverliezen bij maïs), conserveringsverliezen en vervoederingsverliezen.

|  |  |  |  |
| --- | --- | --- | --- |
| ** ** | **Veldverlies** | **Conserveringsverlies** | **Vervoederingsverlies** |
| ** ** | **DS, VEM, N, P** | **DS** | **VEM** | **N** | **P** | **DS, VEM, N, P** |
| Weidegras, beperkt weiden | 15 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| Weidegras, onbeperkt weiden | 20 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| Weidegras, stalvoedering | 5 | 0 | 0 | 0 | 0 | 0 |
| Gemaaid gras ten behoeve van inkuilen | 5 | 10 | 15 | 3 | 0 | 5 |
| Snijmaïs | 2 | 4 | 4 | 1 | 0 | 5 |
| Overig zelf geteeld ruwvoer | 2 | 4 | 6 | 1.5 | 0 | 2 |
| (aangevoerde) natte bijproducten | 0* | 4 | 6 | 1.5 | 0 | 2 |
| Enkelvoudige krachtvoeders | 0* | 4 | 6 | 1.5 | 0 | 2 |
| Mengvoer en melkproducten | 0* | 0 | 0 | 0 | 0 | 2 |
| Mineralen (zouten) | 0* | 0 | 0 | 0 | 0 | 2 |

*  Bij aanvoer van deze producten vinden eventuele veldverliezen namelijk elders plaats.

  


![image](media://0dca2c83-7d3f-4756-abad-7ae39ef26141)

###### Figuur 1.2 In- en uitgaande stofstromen op een landbouwbedrijf: globaal.

![image](media://fa65c4b2-9cd5-4f80-8932-803ce71c10a8)

###### Figuur 1.3 In- en uitgaande stofstromen op een landbouwbedrijf al dan niet met een tak akkerbouw of staldieren alsmede de interne stromen.


Naarmate bedrijven per grootvee-eenheid meer land beschikbaar hebben, ontstaat de mogelijkheid om binnen gebruiksnormen behalve de eigen mest ook mest van elders aan te wenden. In dat geval zijn gegevens nodig over de samenstelling over die geïmporteerde mest. Tabel 1.2 vermeldt de verstekwaarden die daarbij gehanteerd worden.


###### Tabel 1.2    Gemiddelde samenstelling (forfaits) organische mestsoorten.

|  |  |  |  |  |  |
| --- | --- | --- | --- | --- | --- |
|  | **N** | **P**<sub>**2**</sub>**O**<sub>**5**</sub> | **TAN** | **SG** | **OS/N** |
|  | **(kg/ton)** | **(kg/ton)** | **(%)** | **(ton/m**<sup>**3**</sup>**)** | **-** |
| Graasdieren drijfmest, mestcode 14 | 4,0<sup>1</sup> | 1,5<sup>1</sup> | 48<sup>1</sup> | 1,005<sup>1</sup> | 17,8<sup>1</sup> |
| Weidemest graasdieren<sup>2</sup> | 4,0<sup>1</sup> | 1,5<sup>1</sup> | 48<sup>1</sup> | 1,005<sup>1</sup> | 17,8<sup>1</sup> |
| Graasdieren vaste mest, mestcode 10 | 6,5 | 3,2 | 14<sup>1</sup> | 0,9<sup>1</sup> | 20,1<sup>1</sup> |
| Staldieren drijfmest, mestcode 50<sup>3</sup> | 6,4 | 3,8 | 53<sup>1</sup> | 1,04<sup>1</sup> | 11,3<sup>1</sup> |
| Staldieren vaste mest, mestcode 39<sup>4</sup> | 31,3 | 15,4 | 25<sup>1</sup> | 0,605<sup>1</sup> | 12,3<sup>1</sup> |
| Compost<sup>5</sup> | 7,0<sup>1</sup> | 3,3<sup>1</sup> | 9<sup>1</sup> | 0,8<sup>6</sup> | 30,1<sup>1</sup> |
| Graasdieren dunne fractie, mestcode 11 | 4,9<sup>1</sup> | 2,0 <sup>1</sup> | 61<sup>10</sup> | 1,02<sup>1</sup> | 7,0<sup>1</sup> |
| Graasdieren dikke fractie, mestcode 13 | 9,2<sup>1</sup> | 8,4<sup>1</sup> | 29<sup>1</sup> | 0,9<sup>7</sup> | 16,5<sup>1</sup> |
| Kunstmestvervangers (mineralenconcentraat, spuiwater) | 7,3<sup>8</sup> | 0,5<sup>8</sup> | 90<sup>8</sup> | 1,005<sup>1</sup> | 2,9<sup>8</sup> |
| Digestaat<sup>9</sup> | 5,6<sup>1</sup> | 3,1<sup>1</sup> | 74<sup>1</sup> | 1,005<sup>1</sup> | 6,0<sup>1</sup> |
| Overig<sup>2</sup> | 4,0<sup>1</sup> | 1,5<sup>1</sup> | 48<sup>1</sup> | 1,005<sup>1</sup> | 17,8<sup>1</sup> |

###### <sup>1</sup> Den Boer *et al.*, 2012.

###### <sup>2</sup>**   **Als graasdieren drijfmest.

###### <sup>3</sup>   Als vleesvarkens drijfmest.

###### <sup>4</sup>   Als vleeskuikens vaste mest.

###### <sup>5</sup>   Gemiddelde GFT en groencompost.

###### <sup>6</sup>   [Handboek bodem en bemesting](https://www.handboekbodemenbemesting.nl/nl/handboekbodemenbemesting.htm).

###### <sup>7</sup>   Als vaste mest.

###### <sup>8</sup>   Velthof *et al.*, 2011.

###### <sup>9</sup>   Gemiddelde van rundvee en vleesvarkens en afbraak van Norg van 25-50%.

### Bronnen van N-verlies

Met name N kan in vele vormen en uit meerdere bronnen, al dan niet definitief, verloren gaan uit de kringloop. De belangrijkste vormen van verlies zijn ammoniak (NH<sub>3</sub>-N), lachgas (N<sub>2</sub>O-N), nitraat (NO<sub>3</sub>-N), elementaire stikstof (N<sub>2</sub>), stikstofoxiden (NO<sub>x</sub>-N) en organische N (Norg-N) die in de bodem wordt opgeslagen. Het bedrijfsoverschot wordt gelijkgesteld aan het totaal van de verliezen in één van de voornoemde vormen (de termen J, K en L in Figuur 1.2 en 1.3). Tabel 1.3 toont de bronnen van waaruit deze N-verbindingen voornamelijk verloren gaan en de KringloopWijzer-module waarmee het verlies getalsmatig berekend wordt. In het kader van de KringloopWijzer valt het totale berekende   
N-verlies (het bedrijfsoverschot volgens Figuur 1.2) daarmee uiteen in de posten:

- NH<sub>3</sub>-N verlies uit (kunst)mest en afstervend gewas,
- N<sub>2</sub>O-N verlies uit (kunst)mest, klaver, mineralisatie, bodem en kuil,
- NO<sub>3</sub>-N verlies uit de bodem,
- de berekende overige gasvormige N-verliezen (N<sub>2</sub>, NO<sub>x</sub>) uit mestopslag en kuil,
- de niet-berekende overige N-verliezen bestaande uit ophoping van Norg in de bodem en/of fouten in de voorgaande berekeningen, volgens:

Niet-berekende overige N-verliezen =   
N-bedrijfsoverschot –NH<sub>3</sub>-N – N<sub>2</sub>O-N – NO<sub>3</sub>-N – berekende overige gasvormige N-verliezen.

Hierbij moet worden opgemerkt dat gemakshalve is aangenomen dat uit kuil en mestopslag geen uitspoelings­verliezen optreden maar slechts gasvormige verliezen. Dit zal niet geheel volgens de werkelijkheid zijn.


###### Tabel 1.3    Vormen van N-verlies en hun bron, alsmede de module (zie superscript) waarmee het verlies berekend wordt.

|  |  |  |  |  |  |  |  |  |  |
| --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- | --- |
| **Vorm** | **Bron:** | ** ** | ** ** | ** ** | ** ** | ** ** | ** ** | ** ** | ** ** |
| ** ** | **Stal en mestput** | **Externe mestopslag** | **Mesttoediening en beweiding** | **Kunstmest** | **Klaver** | **Mineralisatie** | **Bodem** | **Gewas (zaad)** | **Kuil** |
| NH<sub>3</sub>-N | X<sup>1</sup> | X<sup>1</sup> | X<sup>1</sup> | X<sup>1</sup> |  |  |  | X<sup>2</sup> |  |
| N<sub>2</sub>O-N | X<sup>4</sup> |  | X<sup>4</sup> | X<sup>4</sup> | X<sup>4</sup> | X<sup>4</sup> | X<sup>4</sup> |  |  |
| NO<sub>3</sub>-N |  |  |  |  |  |  | X<sup>5</sup> |  |  |
| N<sub>2</sub>, NO<sub>x</sub> | X<sup>3</sup> |  |  |  |  |  |  |  | X<sup>3</sup> |
| Norg |  |  |  |  |  |  | X<sup>6</sup> |  |  |

###### <sup>1</sup>   BEA basis.

###### <sup>2</sup>   BEA plus.

###### <sup>3</sup>   BEN: niet-NH<sub>3</sub> gasvormige verliezen uit stal en mestopslag en kuilen.

###### <sup>4</sup>   BEN: lachgasemissie uit (kunst)mest, klaver, mineralisatie en bodem.

###### <sup>5</sup>   BEN: nitraatuitspoeling.

###### <sup>6</sup>   BEC: N ophoping als afgeleide uit BEC.

### Benuttingen

#### Algemeen

Verliezen van nutriënten worden vaak niet alleen uitgedrukt als absolute hoeveelheid (kg) per eenheid oppervlakte (hectare) of per eenheid product (bijvoorbeeld per liter melk voor gespecialiseerde melkveehouderijbedrijven, per kg stikstof in de vorm van afgevoerde producten voor gemengde bedrijven, per kg graan-equivalent voor gespecialiseerde akkerbouwbedrijven), maar ook als het complement van de fractie van een ingaande nutriëntenstroom die niet nuttig gebruikt wordt, ofwel 1 minus de benutting. De benutting van een nutriënt kan gedefinieerd worden op het niveau van het bedrijf als geheel en op het niveau van de onderliggende, interne (sub)stromen. Daarbij zij opgemerkt dat elke definitie enigszins arbitrair is. Zo verandert de waarde van breuk van afvoer en aanvoer onder invloed van keuze of teller en noemer als bruto-stromen dan wel als netto-stromen worden uitgedrukt. De breuk 100/200 levert immers een ander getal op dan, bijvoorbeeld, de breuk (100+10)/(200+10).

De volgende benuttingspercentages worden in de KringloopWijzer berekend.

#### Benutting op bedrijfsniveau

De benutting op bedrijfsniveau wordt gedefinieerd als:

*Geproduceerde ‘nuttige’ producten (melk, vlees, af te voeren akkerbouwproducten) als fractie van gebruikte krachtvoer, ruwvoer, bijproducten, klaverbinding, depositie, kunstmest, mest en (veen)mineralisatie, ofwel (vergelijk Figuur 1.3):*

 (H - (A - gecorrigeerd voor een gewijzigde omvang van veestapel) + X) / ((B - gecorrigeerd voor een gewijzigde voorraad krachtvoer) + (C - gecorrigeerd voor een gewijzigde voorraad ruwvoer) + D + E +(F – gecorrigeerd voor een gewijzigde voorraad kunstmest) + (-I – gecorrigeerd voor een gewijzigde voorraad mest) G), met een positief getal voor de correcties als de voorraad is toegenomen.

#### Benutting op dierniveau

De benutting op dierniveau wordt gedefinieerd als:

*Geproduceerde melk en vlees, als fractie van opgenomen krachtvoer, kuilvoer, bijproducten en weidegras (= aangeboden voer na aftrek van voerresten), ofwel (vergelijk Figuur 1.3):*

(H - (A – gecorrigeerd voor een gewijzigde omvang van de veestapel)) / (M+N+L - O)

#### Benutting op mestniveau

De benutting op mestniveau wordt gedefinieerd als:

*Mest en voerrest die ‘in’ de bodem terechtkomt, als fractie van de excretie plus voerrest (= aangeboden voer - melk en vlees gecorrigeerd voor mutatie veestapel) verminderd met mutatie van mestvoorraad (bij toename van voorraad), vermeerderd met de (op een stalbalans gebaseerde) mestproductie van een eventuele intensieve veehouderijtak (‘staldieren’), en verminderd met afgevoerde/vermeerderd met aangevoerde mest, ofwel (vergelijk Figuur 1.3):*

(Q) / ((M + N + L) - (H - (A - gecorrigeerd voor een gewijzigde omvang van de veestapel)) - gecorrigeerd voor een gewijzigde voorraad mest - I)

#### Benutting op bodemniveau

De benutting op bodemniveau wordt berekend als:

*Geproduceerde nutriënten in gewas van eigen bodem inclusief weide-, maai- en oogstverliezen en inclusief af te voeren niet-ruwvoer akkerbouwgewassen, als fractie van klaverbinding, depositie, kunstmest (na verrekening van voorraadwijzigingen), (veen)mineralisatie en beschikbare weide- en ‘stalmest’ (inclusief voerrest na aftrek van gasvormige verliezen uit mest), ofwel (vergelijk Figuur 1.3):*

((R+T+X) + (L+S))/ (Q+D+E+(F - gecorrigeerd voor een gewijzigde voorraad kunstmest) + G)

#### Benutting op (ruwvoer)gewasniveau

De benutting op (ruwvoer)gewasniveau, dat wil zeggen de benutting van ruwvoer tot de opname, wordt gedefinieerd als:

*Opgenomen voer uit eigen geteelde (niet verkochte) en aangekochte ruwvoedergewassen (dus opname gecorrigeerd voor de opname uit meng- en krachtvoer), als fractie van het geteelde en aangekochte ruwvoer inclusief de weide-, oogst- en maaiverliezen, ofwel (vergelijk Figuur 1.3):*

(P - ((B - gecorrigeerd voor een gewijzigde voorraad meng- en krachtvoer) - O_meng- en krachtvoer)) / ((C - gecorrigeerd voor een gewijzigde voorraad ruwvoer) + (R + T) + (L + S))