---
title: "8.15.3: De grootte van de referentiepopulatie (2024)"
canonical: "https://wiki.groenkennisnet.nl/space/LFH/302056685/8.15.3%3A%20De%20grootte%20van%20de%20referentiepopulatie%20(2024)"
format: markdown
---
![image](media://e6c80b6d-ab55-42f0-8200-908d38b3e6f4)

In figuur 8 zie je de toename van de nauwkeurigheid met een toename in grootte van de referentiepopulatie voor 4 verschillende erfelijkheidsgraden met een aangenomen q van 500 en aannemend dat de gEBV alleen op basis van genomische informatie worden geschat. De bovenste lijn geeft de eigenschap met de hoogste erfelijkheidsgraad (0,9) en de onderste lijn met de laagste erfelijkheidsgraad (0,05). Om dezelfde mate van nauwkeurigheid te krijgen bij een lagere erfelijkheidsgraad heb je een grotere referentiepopulatie nodig. Bijvoorbeeld, om een nauwkeurigheid van 0,6 te behalen zijn 5630 dieren nodig voor een eigenschap met een erfelijkheidsgraad van 0,05, maar er zijn er maar 320 nodig voor een eigenschap met een erfelijkheidsgraad van 0,9. Dit geeft weer dat, hoewel de genomic selection een heel mooie tool is, het niet haalbaar is voor kleine populaties en vooral niet voor eigenschappen met een lage erfelijkheidsgraad. Een mogelijke oplossing kan zijn dat stamboeken hun populaties combineren om een grotere referentiepopulatie te vormen, zodat ze de kosten, maar ook de baten, kunnen delen. Dit gebeurt op het moment in de melkveefokkerij, waar een aantal internationale fokkerijorganisaties een referentiepopulatie delen. Er zijn nog geen voorbeelden dat referentiepopulaties van verschillende rassen gecombineerd worden. Theoretisch lijkt dit alleen te kunnen met een hele hoge dichtheid van SNP's.

Dus:

> 📝 *De grootte van de referentiepopulatie kan een beperkende factor zijn om een nauwkeurige gEBV te verkrijgen. Een oplossing kan zijn om referentiepopulaties van verschillende fokkerijorganisaties te combineren. *

  
Naast dat het belangrijk is om een nauwkeurige geschatte fokwaarde te verkrijgen op een jonge leeftijd, is genomic selection vooral bruikbaar voor het selecteren op eigenschappen die moeilijk te meten zijn omdat een klein aantal dieren met fenotypen voldoende is om de EBV van veel dieren te verbeteren. Hoewel genomic selection het mogelijk maakt om te selecteren zonder fenotypische informatie van het dier zelf of sterk verwante dieren, wordt de nauwkeurigheid van de selectie nog steeds bepaald door de nauwkeurigheid van de gemeten fenotypen. Vooral in de referentiepopulatie moet de meting van fenotypen zo nauwkeurig  mogelijk gebeuren omdat deze fenotypen gebruikt worden in de selectie van de rest van de populatie met de berekende verbanden met de SNP's. Onnauwkeurige fenotypen resulteren in suboptimale schattingen van verbanden tussen SNP's en fenotypen, en dus in suboptimate geschatte gEBVs. Onthoud dat het effect van onnauwkeurige waarnemingen direct resulteert in een lagere erfelijkheidsgraad en het effect daarvan is weergegeven in figuur 8.

Het is mogelijk om de genomic en de conventionele fokwaardeschatting te combineren. Fenotypische informatie van het dier of zijn familieleden zal de nauwkeurigheid van de gEBV verhogen. Details over hoe dit werkt gaan echter te ver voor dit boek.