---
title: "5.12 Kernpunten bij het formuleren van genetische modellen (2024)"
canonical: "https://wiki.groenkennisnet.nl/space/LFH/301892200/5.12%20Kernpunten%20bij%20het%20formuleren%20van%20genetische%20modellen%20(2024)"
format: markdown
---
1. Het fenotype wordt bepaald door het genotype en de omgeving.
2. De omgeving bestaat uit alle invloeden die er zijn tussen de conceptie en het moment van het vastleggen van het fenotype.
3. In fokkerij zijn we alleen (vooral) geïnteresseerd in de additief genetische effecten omdat die worden overgedragen naar de nakomelingen.
4. De variatie in de fenotypen kan worden uitgedrukt als de fenotypische variantie.
5. De fenotypische variantie bestaat uit de additief genetische variantie en de error (rest) variantie.
6. De error variantie bestaat uit de variantie veroorzaakt door de omgeving, maar het is ook een verzameling van de dominantie en epistasie effecten en fouten in de metingen.
7. De fokwaarde van de nakomelingen is de helft van de fokwaarde van de vader plus de helft van de fokwaarde van de moeder.
8. De Mendelian Sampling term geeft het deel van de additief genetische component in de nakomelingen aan dat niet kan worden voorspeld: welke helft van de allelen van de ouders wordt doorgegeven aan de nakomelingen? Genomische technieken maken het mogelijk om vast te stelle welke allelen van de vader en welke van de moeder afkomstig zijn.
9. De erfelijkheidsgraad geeft aan welk deel van de fenotypische variantie wordt veroorzaakt door de additief genetische variantie in de populatie en wordt aangeduid als h<sup>2</sup>.
10. De gemeenschappelijke omgevingsvariantie is de variantie die veroorzaakt wordt omdat dieren een gemeenschappelijke omgeving deelden tijdens (een deel van) hun ontwikkeling. Bijvoorbeeld wanneer zij opgroeien in hetzelfde hok. Het deel van de fenotypische variantie dat wordt veroorzaakt door de gemeenschappelijke omgeving wordt aangeduid met c<sup>2</sup>.
11. Het maternale effect is het effect van de omgeving op de nakomelingen dat wordt gecreëerd door de moeder. Een deel van deze maternale effecten wordt veroorzaakt door de genen van de moeder.
12. Een indirect of sociaal genetische effect is het effect dat andere dieren uit hetzelfde hok, stal of kooi hebben op de prestatie van een individueel dier.