---
title: "1.7 De fokkerij in de 20-ste eeuw"
canonical: "https://wiki.groenkennisnet.nl/space/LFH/301891688/1.7%20De%20fokkerij%20in%20de%2020-ste%20eeuw"
format: markdown
---
De meeste fokkerij theorieën die wij vandaag de dag gebruiken zijn uitgewerkt in de eerste helft van de 20ste eeuw. De statisticus R.A. Fisher (1890 – 1962) liet zien dat de diversiteit in expressie van kenmerken afhankelijk is van een grote hoeveelheid Mendeliaanse factoren (genen). Fisher publiceerde veel werk gerelateerd aan statistiek en fokkerij, maar zijn belangrijkste werk kwam uit in 1918. Hierdoor werd Fisher, samen met Sewall Wright (1889 – 1988) en J.B.S. Haldane, de stichters van de theoretische populatie genetica. Thomas Hunt Morgan (1866-1945) en collega's koppelden de theorie over chromosomen aan het werk van Mendel en creëerden een theorie waarbij men aannam dat de chromosomen in de cellen het erfelijke materiaal dragen. Morgan won voor deze theorie de Nobelprijs in 1933. In de eerste helft van de 20ste eeuw was Iowa State University in Ames, Iowa, USA de plaats waar je moest zijn. Deze universiteit was bekend als de onderzoeksplek van Jay L. Lush (1896 – 1982), de vader van de moderne fokkerij. Hij bepleitte dat fokkerij een combinatie zou moeten zijn van kwantitatieve genetica en genetische informatie in plaats van subjectieve waarnemingen. Zijn boek getiteld ‘Animal Breeding Plans’, gepubliceerd in 1937, heeft een grote invloed uitgeoefend op fokkerij in de hele wereld. Lanoy Nelson Hazel (1911-1992) was geïnspireerd door Lush zijn boek en begon voor hem te werken in Ames. Hazel verkreeg in 1942 zijn PhD gebaseerd op de door hem ontwikkelde selectie index theorie. De selectie index theorie is een methode die al jaren gebruikt wordt om verschillende gewichten te bepalen voor het belang van verschillende selectie kenmerken. Tijdens de ontwikkeling van deze theorie bedacht Hazel ook hoe je genetische correlaties kunt schatten, wat essentieel is om goede gewichten aan selectie kenmerken te kunnen toekennen. Hazel ontwikkelde ook nog een theorie die gebruik maakt van de kleinste kwadraten (least squares), een statistische methode voor de analyse van gecompliceerde data met veel oneven subklassen, een verschijnsel dat  je vaak ziet in dierlijke populatie data. Tot die tijd werd de statistische techniek van Hazel gebruikt om de waarden van de verschillende kenmerken van dieren optimaal te wegen om de dieren te selecteren met de beste combinaties van kenmerken. De geschatte fokwaarde (estimated breeding value: de ebv) werd pas later ontwikkeld door de statisticus C. R. Henderson (1911 – 1989), een student van Hazel in Ames. Het gebruik van de geschatte fokwaarde maakte het mogelijk om dieren in te delen op een geschatte genetische aanleg (de ebv). Dit resulteerde in nauwkeuriger selectie resultaten en een verhoogde genetische verbetering over generaties. In 1950 verbeterde Henderson de nauwkeurigheid van geschatte fokwaarden door gebruik te maken van de best linear unbiased prediction (BLUP), de methode van de beste lineaire zuivere  voorspelling. De term BLUP werd pas vanaf 1960 gebruikt. Henderson suggereerde ook om de volledige stamboom van de populatie mee te nemen en zo genetische relaties tussen dieren te kunnen gebruiken in de fokwaarde schatting. In dit zogenaamde diermodel kunnen dan ook de prestaties van familieleden meegenomen worden. Door tekortkomingen op computergebied kon deze manier van fokwaarde schattingen pas geïmplementeerd worden in de 80-jaren. Gallerij van personen die een bijdrage hebben geleverd aan de fokkerijwetenschap Grondlegger van fokkerij    Sir Robert Bakewell Mendeliaanse overerving     Georg Mendel Kwantitatieve genetica  R.A. Fisher S. Wright  J.B.S. Haldane  Vader van de fokkerij J.L. Lush Selectie index theorie L.N. Hazel BLUP dier model C.R. Henderson Genomische selectie Meuwissen M. Goddard