---
title: "Bijlage 3\tGewasbehoefte"
canonical: "https://wiki.groenkennisnet.nl/space/HGB/923336763/Bijlage%203%09Gewasbehoefte"
format: markdown
---
### Gewasbehoefte

Gewassen hebben de juiste input nodig om tot ontwikkeling te komen. Deze externe behoeftes zullen in deze paragraaf besproken worden. Grofweg kunnen deze worden onderverdeeld in nutriënten, water en zuurstof. Vanwege het belang van koolstof voor een goede bodemkwaliteit is ook koolstof opgenomen als externe behoefte.

### Nutriënten

Nutriënten zijn essentieel in de landbouw omdat ze de basis vormen voor gezonde plantengroei en opbrengst. Hier zijn enkele parameters belangrijk zijn:

- Mineralisatie,
- Immobilisatie,
- Nutriëntenopslag,
- CEC.

### Mineralisatie

Mineralisatie is het proces waarbij het bodemleven organisch materiaal afbreekt en omzet in anorganische stoffen. Dit proces vindt plaats omdat deze organismen zoeken naar energie. Bij de afbraak van organisch materiaal komen nutriënten beschikbaar voor de opname door planten. Een voorbeeld hiervan is de mineralisatie van stikstof, een belangrijke bouwsteen voor levende organismen. Zodra een organisme sterft, wordt het onderdeel van de bodem als organisch materiaal. Op dat moment is de stikstof opgeslagen in complexe verbindingen, waardoor het niet opneembaar is door plantenwortels. Het organisch materiaal kan wel worden gebruikt als energiebron van het bodemleven. Hierbij wordt koolstof gebruikt als energiebron en stikstof als bouwsteen voor de ontwikkeling van het organisme. Eventueel overtollige stikstof wordt achtergelaten in de bodem in de vorm van ammoniak, nitriet of nitraat. In deze vorm kan stikstof wel worden opgenomen door de plantenwortels. Deze korte stikstofcyclus is weergegeven in Figuur 74.

![Bijlage 3 Mineralisatie Figuur 74.jpg](media://01829edf-e6dc-47d7-9f2c-ef4b74d7ffa1)

### Immobilisatie

Het tegenovergestelde van mineralisatie is immobilisatie. Hierbij gebruikt het bodemleven vrij beschikbare voedingsstoffen uit de bodem om organische stof op te bouwen; deze voedingsstoffen zijn nu niet meer opneembaar door planten. Hierdoor zijn netto minder nutriënten beschikbaar voor de gewasontwikkeling. Deze immobilisatie vindt vaak plaats na aanvoer van organisch materiaal met een hoge C:N-verhouding, zoals stro of strorijke mest.

De snelheid van mineralisatie en immobilisatie wordt door verschillende factoren beïnvloedt, zoals het organische stofgehalte, het bodemleven, de pH, de weersomstandigheden en de bodemstructuur<sup>[1]</sup>. Bodembewerking heeft invloed op veel van deze factoren, wat vervolgens de mineralisatie van nutriënten direct beïnvloedt.

pH: Het belang van de juiste pH voor mineralisatie is toegelicht in het Handboek Bodem en Bemesting<sup>[2]</sup>*. *Hierin staat dat de stikstofmineralisatie optimaal is bij een pH hoger dan 5, terwijl de nitrifcatiesnelheid optimaal verloopt bij een pH van 7. Grondbewerking heeft voornamelijk een invloed op de pH door de afbraak van organisch materiaal te versnellen; zodra organisch materiaal minder snel wordt afgebroken bij een minder intensieve grondbewerking zijn meer H+ ionen in de bodem beschikbaar, wat de pH verlaagt en de bodem verzuurt<sup>[3]</sup>.

### Nutriëntenopslag

Één van de manieren waarop nutriënten in de bodem worden opgeslagen, is in het organisch materiaal. Door een minder intensieve bodembewerking in te zetten, kan de afbraak van organische stof worden beperkt. Bij iedere bewerking zal een deel van de organische stof mineraliseren. Een verminderde grondbewerking zorgt dan ook voor een afnemende mineralisatie. Vandaar dat de stikstofbehoefte van gewassen de eerste jaren na het stoppen met ploegen met tientallen kilo’s per hectare kan toenemen. Onder andere door een toename van het bodemleven neemt op lange termijn de mineralisatie toe en komt de voor de plant beschikbare hoeveelheid stikstof op het niveau van geploegd land.

Dit zorgt echter wel voor een dilemma: organisch materiaal bevordert de nutriëntbeschikbaarheid voor gewassen pas op het moment dat het afgebroken wordt. Dit is in tegenstrijdigheid met de andere voordelen die organisch materiaal kan bieden, zoals de structuurverbetering en de opslag van koolstof. Deze tegenstrijdigheid laat het belang van bewuste keuzes in het bodembeheer zien.

### CEC

Naast de opslag van nutriënten in de organische stof, draagt organische stof ook bij aan de kationenuitwisselingscapaciteit (CEC). De CEC geeft een indicatie van het vermogen van de bodem om kationen (positief geladen nutriënten) vast te houden. Deze kationen kunnen zich binden aan negatief geladen deeltjes, zoals organisch materiaal en klei. Hoe groter de lading van het kation, hoe sterker de binding. Dit is weergegeven in Figuur 75. Deze figuur laat de binding van 3 elementen met verschillende ladingen zien aan organisch materiaal. Hoe hoger de lading, hoe meer bindingen ontstaan met het negatieve geladen deeltje. Als een bodem veel negatief geladen deeltjes bevat en een hogere CEC heeft, zullen meer nutriënten beschikbaar zijn voor de gewassen. Door met de grondbewerking de afbraak van organisch materiaal te minimaliseren, kan met behulp van de juiste grondbewerking de CEC op pijl worden gehouden. Voornamelijk humus is sterk negatief geladen, waardoor het bijdraagt aan het vasthouden van positief geladen elementen. Door een minder intensieve grondbewerking in te zetten, bevat de toplaag van de bodem meer organische stof wat de CEC kan bevorderen.

![Bijlage 3 CEC Figuur 75.jpg](media://bc771207-3f98-4b19-849e-d380a3de2bee)

### Kringlooplandbouw en nutriënten

Een optimale benutting van de aanwezige nutriënten is zowel voor agrariërs als de natuur voordelig. Boeren kunnen een hoger rendement halen uit hun bedrijfsvoering door met een zelfde of lagere input van nutriënten een vergelijkbare of eventueel hogere opbrengst te behalen. Bovendien zorgt een efficiënt gebruik van de nutriënten voor een verlaagde milieubelasting. Grofweg kunnen nutriënten uit landbouwpercelen op twee manieren in het milieu terechtkomen: via uitspoeling en via vervluchtiging.

Uitspoeling is het proces waarbij in water opgeloste nutriënten worden verplaatst van een perceel naar omliggende gebieden waardoor deze niet meer opneembaar zijn door de gewassen. Dit is voornamelijk een risico bij nutriënten die gemakkelijk binden aan water en in zandgronden met een lage CEC.

De manier van grondbewerking kan van invloed zijn op de uitspoeling van nutriënten. Door een minder intensieve grondbewerking wordt organische stof over het algemeen minder snel afgebroken. Deze organische stof is negatief geladen, en draagt dus bij aan de CEC. Door het behoud van organische stof kunnen positief geladen nutriënten binden aan de negatieve lading ervan en zodoende kan de uitspoeling ervan voorkomen worden.

Daarnaast kan de bodemstructuur die gecreëerd wordt met de grondbewerking de uitspoeling van nutriënten verminderen door de waterstromen te beïnvloeden. Door een betere aggregaat stabiliteit bevat de bodem meer macroporiën en heeft het een lagere *bulk density*. Deze processen zijn uitgelegd in waterbeschikbaarheid. Dit zorgt voor een goede infiltratie gedurende een neerslagmoment. Een goede infiltratie zorgt voor minder erosie en een betere capaciteit van de bodem om water op te nemen, waardoor het minder nutriënten kwijtraakt. Dit bleek ook uit de systeemproef in Vredepeel. De percelen waar langjarig een niet-kerende grondbewerking was toegepast, hadden meerdere jaren achter elkaar een lagere nitraatconcentratie dan de percelen die werden geploegd.

De tweede manier waarop nutriënten een landbouwpercelen kunnen verlaten is vervluchtiging. Vervluchtiging is het proces waarbij nutriënten van vaste of vloeibare staat overgaan naar een gasvormige staat. Dit is ook weergegeven in Figuur 74, de korte stikstofcyclus. Vervluchtiging vindt voornamelijk plaats in zuurstofarme omstandigheden. In een situatie waarbij voldoende zuurstof beschikbaar is vindt nitrificatie plaats, waarbij NH<sub>4</sub><sup>+</sup> wordt omgezet naar NO<sub>3</sub><sup>-</sup>. Echter, zodra een zuurstofgebrek ontstaat, begint een proces genaamd denitrificatie, waarbij bodemorganismen de NO<sub>3</sub><sup>-</sup> omzetten naar N<sub>2</sub> en het sterke broeikasgas N<sub>2</sub>O.

Bij de systeemproef in Vredepeel is gehypothetiseerd dat de verminderde nitraatuitspoeling naar het grondwater te verklaren is door een verhoogde vervluchtiging van de stikstof. Door de minder intensieve grondbewerking en aanwezigheid van een mulch laag zouden de bodemorganismen minder zuurstof tot hun beschikking hebben, wat een stimulerend effect zou hebben op de denitrificatie. Hoewel verschillende onderzoeken stellen dat een minder intensieve grondbewerking de vervluchtiging van nutriënten stimuleert, is het meten van vervluchtiging gecompliceerd. Aanvullend onderzoek is nodig om de effecten van bodembewerking op de vervluchtiging van nutriënten goed te begrijpen.

### Water

De waterhuishouding is een belangrijke overweging voor een agrariër in de keuze voor een grondbewerking. Zeker gezien de toenemende droogte en wateroverschotten als gevolg van klimaatverandering. Deze paragraaf zal de processen die in de bodem plaatsvinden met betrekking tot de waterbeschikbaarheid voor gewassen benoemen en omschrijven hoe grondbewerking hierop van invloed is.

### Waterbeschikbaarheid

De juiste grondbewerking kan de beschikbaarheid van water tijdens droge periodes verbeteren. Dit wordt bereikt door het creëren van een goede bodemstructuur die een juiste verhouding van bodemporiën bevat. Een gezonde bodem bestaat voor ongeveer 50% uit vaste bodemdeeltjes. De andere 50% bestaat uit poriën, die zijn gevuld met lucht of water.

Deze poriën kunnen worden onderverdeeld in twee categorieën: micro- en macroporiën. Macroporiën zijn relatief groot en laten water gemakkelijk door de bodem bewegen zonder het vast te houden door een zuigende kracht. Microporiën daarentegen zijn wel klein genoeg om water vast te houden door een zuigende kracht uit te oefenen. Deze microporiën liggen voornamelijk binnen aggregaten in de bodem.

Het verloop van de waterverdeling onder verschillende droogteomstandigheden is weergegeven in Figuur 76. Het laat zien dat wanneer een bodem volledig verzadigd is, zowel de macro- als microporiën volledig gevuld zijn met water. Op het punt van veldcapaciteit, de toestand waarin de bodem het overtollige water heeft laten uitlekken maar nog steeds een aanzienlijke hoeveelheid water bevat, zijn de microporiën gevuld en kleeft het water aan de buitenkant van de bodemaggregaten. Op het welkpunt, dit is het punt waarop de bodem zo droog is dat plantenwortels geen water meer uit de bodem kunnen onttrekken, zijn ook de randen van de aggregaten uitgedroogd.

![Bijlage 3 Waterbeschikbaarheid Figuur 76.jpg](media://f46ef0e3-fd9c-4611-8497-dfbd14cb93fe)

### Verdichting en waterdoorlaatbaarheid

Een belangrijke manier waarop grondbewerking de waterbeschikbaarheid beïnvloedt, is door de doorlaatbaarheid te veranderen. Water kan de bodem goed door stromen wanneer de bodem een losse- of kruimelstructuur heeft. Wanneer een bodem een losse structuur heeft, bevat het voldoende poriën voor het water om doorheen te sijpelen. De poriën fungeren als kanalen waardoor het water doorheen kan voortbewegen. Een bodembewerking die zorgt voor een juiste verhouding in het formaat van de poriën is dus van belang voor een goede waterdoorlaatbaarheid.

Een slechte waterhuishouding wordt veelvuldig veroorzaakt door een verstorende laag of verdichting. Een verdichte bodem of een verstorende laag ontstaat zodra de bodem verdicht wordt bij het berijden met te zware machines onder te slechte omstandigheden. Een voorbeeld hiervan is de ploegzool. Tijdens het ploegen rijden twee wielen over de al geploegde veur heen. Bij natte omstandigheden kan deze laag hierdoor verdicht raken. Vervolgens legt de ploeg een nieuwe laag grond bovenop deze verdichte laag. Dit kan voor een verstorende laag middenin de bouwvoor zorgen. Deze ploegzool zorgt ervoor dat de toplaag en diepere bodemlagen niet meer met elkaar verbonden zijn. Hierdoor kan vocht minder goed de bodem in trekken, maar kan kwelwater ook niet het niveau bereiken dat het de wortels van water kan voorzien. Dit is ook te zien in de onderstaande animatie.

Verdichting en de gevolgen daarvan worden gevisualiseerd in de volgende [animatie](https://www.youtube.com/watch?v=8kB_Qc6DYbk), geproduceerd bij het Kennis op Maat project bodemverdichting.

### Infiltratie

Met behulp van bodembewerking kan de verdeling van poriegrootte beïnvloed worden. Deze porieverdeling is ook van belang voor de infiltratiesnelheid. Met de infiltratiesnelheid wordt de snelheid bedoeld waarmee regenwater de bodem in kan trekken. Dit is belangrijk, omdat water dat over het perceel stroomt voor [Erosie](https://wiki.groenkennisnet.nl/space/HGB/922746981/Bijlage+1+Erosie) en plasvorming kan zorgen.

De interactie tussen bodembewerking, poriegrootte en de infiltratiesnelheid is echter complex. In minder intensief bewerkte percelen wordt een betere infiltratie toegewezen aan de gangen die worden gecreëerd door plantenwortels of het bodemleven, onder andere door wormen. In geploegde percelen wordt de infiltratiesnelheid juist toegeschreven aan de poriegrootte en de waterverdeling die hierin plaatsvindt. Dit blijkt ook uit een analyse waarin 89 onderzoeken waren vergeleken waarin de infiltratiesnelheid onder verschillende grondbewerkingen werd bestudeerd<sup>[4]</sup>. Uit de analyse bleek dat al dan niet ploegen geen consistent effect heeft op de infiltratiesnelheid en dat dit afhankelijk is van de samenhang van verschillende regionale factoren.

Hieruit blijkt dat de afweging van de juiste bodembewerking afhankelijk is van factoren als bodemtype, klimaat en bouwplan. Een feit is wel dat een intensieve bodembewerking en een onbeteelde bodem het risico op een korstvorming vergroot. Zeker na regenval en vervolgens uitdroging van een kleibodem kan een harde korst op het bodemoppervlak ontstaan, waarna de infiltratie van water bemoeilijkt wordt.

### Verdamping

Bij verdamping verliest de bodem water aan de atmosfeer. De snelheid en het moment waarop dit gebeurt zijn van groot belang voor een agrariër. In het voorjaar wil de teler zijn perceel tijdig berijdbaar en bewerkbaar hebben, waardoor een snelle opdroging gewenst is. Gedurende een drogere periode in de zomer is een langzame verdamping gewenst. Het is in deze periode zaak om het aanwezige bodemvocht zo lang mogelijk vast te houden en zo nuttig mogelijk in te zetten, zonder dat het onnodig verloren gaat aan de atmosfeer.

Over het algemeen zorgt een intensievere grondbewerking voor een snellere verdamping. Door een grondbewerking in te zetten, wordt het aantal poriën waarin evaporatie plaatsvindt vergroot. Doordat er meer lucht in de bodem aanwezig is, is er meer ruimte voor het water te verdampen, waardoor deze sneller opdroogt. Agrariërs die hun bodem extensief bewerken maken vaak gebruik van groenbemesters en andere bodemverbeteraars. Deze begroeiing houdt het vocht langer vast waardoor minder verdamping kan plaatsvinden.

Een drogere bodem zorgt ook voor een snellere opwarming van de bodem. Bodemdeeltjes hebben een lagere opwarmingscapaciteit dan water, wat wil zeggen dat er meer energie nodig is om bodemdeeltjes op te warmen. Dit zorgt ervoor dat droge bodems in potentie sneller opwarmen en afkoelen dan natte bodems. De bodemtemperatuur is van belang omdat het onder andere de kiemingssnelheid van een gewas bepaalt. Hoe warmer de bodem is, hoe sneller het gewas kiemt<sup>[5]</sup>.

Bij de keuze van een minder intensieve grondbewerking is het van belang om rekening te houden met de minder snelle verdamping. Dit kan bijvoorbeeld door te kiezen voor een groenbemester die de grond voor de teelt niet sterk bedekt zodat verdamping mogelijk is, of een groenbemester die door verdamping de grond uitdroogt.

### Koolstof

In tegenstelling tot stikstof wordt koolstof nauwelijks via de wortels opgenomen door een plant. In plaats daarvan wordt veel koolstof opgenomen via de huidmondjes. Desalniettemin is koolstof een belangrijke component voor een gezonde bodem. Koolstof ligt onder andere opgeslagen in organisch materiaal. Dit heeft verschillende functies.

Allereerst is organisch materiaal een energiebron voor het bodemleven. Door deze koolstof op te nemen en af te breken kunnen micro-organismen functioneren. Een verdere toelichting hierop is gegeven in het [handboek bodembiologie](https://doi.org/10.18174/684797).

Daarnaast zorgt het organisch materiaal voor de levering van nutriënten en draagt het bij aan de kationuitwisselingscapaciteit. Deze processen zijn uitgelegd in het hoofdstuk CEC.

Ook zorgt organisch materiaal voor het vasthouden van water. Een verhoging van het organische stofgehalte kan het watervasthoudend vermogen van een bodem met 1 à 2 mm verhogen<sup>[6]</sup>. Op een zandbodem die bijvoorbeeld een vocht vasthoudend vermogen van 20 mm heeft is dit een toename van 5 tot 10%. Deze verhoging van het organische stof gaat samen met een verbeterde infiltratie.

Tot slot zorgt organische stof voor een betere fysische bodemkwaliteit. Zo zorgt organische stof voor een betere bodemstructuur, verkruimelbaarheid, slempgevoeligheid en bewerkbaarheid van de grond. Uit onderzoek van Adema<sup>[7]</sup> blijkt dat de bewerkbaarheid van bodems met een hoger organische stofgehalte onder vochtigere omstandigheden toeneemt. Bovendien zorgt de verbeterde infiltratie voor minder plasvorming en voorkomt het daarmee problemen met de bodemstructuur. De exacte invloed is afhankelijk van de grondsoort:

- Bij kleigrond zorgt de organische stof voor een betere lucht- en waterhuishouding en bewerkbaarheid;
- Bij zavel zorgt de organische stof voor een betere lucht- en waterhuishouding en een mindere slempgevoeligheid;
- Bij een zandgrond zorgt de organische stof voor meer beschikbaar vocht, een mindere droogtegevoeligheid, een beter vasthouden van voedingstoffen en het binden van zanddeeltjes;
- Bij een dalgrond zorgt de organische stof voor een betere binding van de gronddeeltjes, een mindere stuifgevoeligheid en een betere beschikbaarheid van vocht<sup>[8]</sup>.

### Koolstofcyclus

Net als voor ieder nutriënt bestaat er ook een koolstofcyclus. Voor de agronomie is de korte cyclus van belang. Een vereenvoudigde weergave van een voorbeeld van de korte koolstofcyclus is weergegeven in Figuur 77. Hierin is te zien dat planten met het proces van fotosynthese CO2 opnemen uit de atmosfeer. Deze CO2 wordt opgeslagen in o.a. het bladmateriaal. Zodra het bladmateriaal afsterft komt dit in de bodem terecht. Vanaf dit moment wordt het blad beschouwd als organische stof. In de bodem begint de afbraak van het bladmateriaal. Dit gebeurt zowel door fysieke afbraak (door bijvoorbeeld regen of wind) als de afbraak door organismen als wormen, bacteriën en schimmels. Bij deze afbraak komt de CO2 die in het blad opgeslagen zit weer vrij en komt in de atmosfeer terecht.

Gemakkelijk afbreekbare materialen worden vrijwel direct afgebroken. De invloed van deze materialen op landbouwbodems is beperkt. Daarom wordt vaak met effectief organisch materiaal gerekend. Dit is koolstof dat één jaar na toediening ervan zich nog in de bodem bevindt. Een deel van de organische stoffen bestaat uit nog complexere verbindingen, zoals cellulose en lignine, die erg langzaam of nauwelijks worden afgebroken. De ophoping van deze complexe organische stoffen vormt humus.

![bijlage 3 Koolstofcyclus Figuur 77.jpg](media://a80cb4ce-b388-4199-be06-5b745efdb011)

### Verhogen organische stof

Het verhogen van het organische stofgehalte in de bodem is een proces dat veel tijd en geduld vereist. Een stijging van 0.1% kan meerdere jaren duren. Bovendien is het vermogen van een bodem om organische stof op te bouwen sterk variabel per bodemtype.

Toch is het mogelijk om te sturen op organische stofgehaltes in de bodem. Schepens & Koopmans<sup>[9]</sup> hebben een overzicht gepubliceerd van maatregelen die genomen kunnen worden om het organische stofgehalte van bodems in Nederland te verhogen. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen zand- en kleigronden (Figuur 78). Uit deze figuren blijkt dat op kleigronden het aanpassen van de gewasrotatie (inclusief grasland) het meest effectief is als het gaat om het opbouwen van organische stof in de bovenste 30 cm. Op zandgronden is het aanvoeren van compost een effectieve maatregel.

Uit de figuur blijkt dat er een verschil is in effectiviteit van NKG op het vastleggen van organisch materiaal. Waar het organisch materiaal in kleibodems licht steeg, is dit niet het geval op zandbodems. Dit blijkt ook uit de systeemproeven die zijn uitgevoerd in Vredepeel, Lelystad en Valthermond. Op de zandgrond van Valthermond zorgde een niet-kerende grondbewerking alleen voor een verhoging van het organische stofgehalte bij een lage input van organische meststoffen. Bij een gangbare bemesting was er geen verschil geobserveerd in de opbouw van organisch materiaal bij het ploegen van de bodem of NKG.

![Bijlage 3 koolstof vastlegging Figuur 78.jpg](media://16629a04-d248-448c-9dba-29baf0d1e248)

### Bodemlagen

Bij het opbouwen van organisch materiaal beïnvloedt het al dan niet omkeren van de bodem de verdeling van het organisch materiaal over verschillende bodemlagen. De Verschillende grondbewerkingsaanpakken hebben hier effecten op. Bijvoorbeeld een ondiep niet-kerende grondbewerkingssyteem heeft veel impact op de bovenste bodemlaag. Doordat de grond minder verstoord of niet gekeerd wordt, worden plantenresten en andere organische materialen niet met diepere bodemlagen vermengd. Diepere bodemlagen worden hierbij minder gevoed met organisch materiaal. Dit betekent echter niet dat deze diepere bodemlagen niet verbeterd worden. Vanwege de verbeterde wortelontwikkeling in de bovenste bodemlaag is ook de toevoer naar de diepere bodemlaag verbeterd, met een verbetering van de algehele bodemstructuur tot gevolg.

### Systeembenadering

Indien je als akkerbouwer zijnde de organische stof in de bodem wil verhogen met behulp van niet-kerende grondbewerking vereist dit een systeem brede benadering. Een belangrijk aspect hiervan is het bouwplan. De gewasresten van het voorgaande gewas mogen geen negatieve invloed hebben op het zaaibed van het volgend gewas. Een cruciaal onderdeel van dit bouwplan is de inzet van de juiste groenbemester. Enkel beredeneerd vanuit de meest effectieve organische stof productie blijft de groenbemesters tot aan het voorjaar staan. Daarnaast moet de groenbemester een goed wortelstelsel hebben om de bodemstructuur te verbeteren en koolstof naar de bodem te brengen. Voorbeelden van geschikte groenbemesters in een NKG systeem met als doel het verhogen van de organisch materiaal concentraties zijn bladrammenas, gele mosterd en facelia<sup>[11]</sup>. Bij de keuze voor een groenbemester spelen echter nog vele andere belangen, zoals het moment van zaaien, het doel van de groenbemester, en de invloed op nematodes, ziektes en andere plagen en insecten. De verschillende manieren om de groenbemester in te werken worden omschreven in [Groenbemester inwerken](https://wiki.groenkennisnet.nl/space/HGB/922288461/7.8+Groenbemester+inwerken). Aanvullende informatie over verschillende type groenbemesters kan worden gevonden in het [Handboek Groenbemesters](https://www.handboekgroenbemesters.nl/nl/handboekgroenbemesters.htm).

 

### Zuurstof

Zuurstofbeschikbaarheid in de bodem is cruciaal voor een goede gewasontwikkeling. Allereerst hebben plantenwortels zuurstof nodig voor de ademhaling. Naast CO<sub>2</sub> hebben planten ook zuurstof nodig om suikers op te slaan en af te breken. Een deel van deze zuurstof wordt opgenomen via de wortels. Zuurstofloze omstandigheden kunnen deze wortels onder functioneren of zelfs afsterven.

Naast de rol die het speelt in de gewasontwikkeling, is zuurstofbeschikbaarheid ook een belangrijke voorwaarde voor een gezonde bodem. Allereerst bevordert zuurstof de nutriëntopname door gewassen. Zo is zuurstof nodig bij nitrificatie, het proces waarbij ammonium (NH<sub>4</sub><sup>+</sup>) wordt omgezet naar nitraat (NO<sub>3</sub><sup>-</sup>). Deze omzetting wordt uitgevoerd door bacteriën, die enkel kunnen functioneren bij zuurstofrijke omstandigheden. Bovendien kunnen anaerobe omstandigheden juist voor schadelijke omstandigheden zorgen. Bij een zuurstofgebrek kunnen gassen als ethyleen en waterstofsulfide gevormd worden, die een negatief effect hebben op het bodemleven en de gewasontwikkeling. Dit is gemakkelijk te herkennen door de zure geur die van de bodem komt. Verder kunnen ziekteverwekkers beter gedijen onder zuurstofarme omstandigheden. Ook kunnen ziektes die wortelrot veroorzaken goed gedijen onder zuurstofarme omstandigheden. Tot slot is een goede zuurstofbeschikbaarheid van belang voor een gezond bodemleven.

De juiste grondbewerking kan de zuurstofbeschikbaarheid in de bodem verbeteren. Dit wordt bereikt door het creëren van een optimale bodem, die een juiste verhouding van bodemporiën bevat. Door ruimte te creëren tussen de bodemdeeltjes zorgen de macroporiën voor een uitwisseling van zuurstof en andere gassen. Dit kan problematisch worden zodra een bodem verzadigd is. Als alle poriën in een bodem gevuld zijn met water, is er geen ruimte meer voor zuurstof in de bodem. Zodoende ontstaan anaerobe omstandigheden, met de eerder genoemde consequenties tot gevolg. Een andere situatie waarin zuurstofarme omstandigheden kunnen ontstaan, is in een situatie met bodemverdichting. Doordat de bodemdeeltjes fijn op elkaar zijn gedrukt, is er een gebrek aan ruimte voor de poriën en zijn er relatief minder macroporiën. Hierdoor ontstaat geen gasuitwisseling vanuit de bodem en kunnen zuurstofloze omstandigheden ontstaan. Door op het juiste moment de juiste grond maatregel uit te voeren, wordt het risico op verdichting geminimaliseerd en kan een eventuele verstorende laag voorkomen of doorbroken worden.

 

Bron: 

[1] NutriNorm. (z.d.). Stikstoflevering uit de bodem. Geraadpleegd op 5 januari 2024, van [https://nutrinorm.nl/bemesting/stikstoflevering-uit-de-bodem/](https://nutrinorm.nl/bemesting/stikstoflevering-uit-de-bodem/) 

[2] Handboek Bodem en Bemesting. (z.d.). Effect pH op bodemleven. Geraadpleegd  van [https://www.handboekbodemenbemesting.nl/nl/handboekbodemenbemesting/ingangen/handeling/ph-en-bekalking/effect-ph-op-bodemleven.htm](https://www.handboekbodemenbemesting.nl/nl/handboekbodemenbemesting/ingangen/handeling/ph-en-bekalking/effect-ph-op-bodemleven.htm) 

[3] Zhao, X., He, C., Liu, W. S., Liu, W. X., Liu, Q. Y., Bai, W., ... & Zhang, H. L. (2022). Responses of soil pH to no‐till and the factors affecting it: A global meta‐analysis. *Global Change Biology, 28*(1), 154–166.

[4] Basche, A. D., & DeLonge, M. S. (2019). Comparing infiltration rates in soils managed with conventional and alternative farming methods: A meta-analysis. *PLOS One, 14*(9), e0215702.

[5] Morris, N. L., Miller, P. C. H., Orson, J. H., & Froud-Williams, R. J. (2010). The adoption of non-inversion tillage systems in the United Kingdom and the agronomic impact on soil, crops and the environment—A review. *Soil and Tillage Research, 108*(1–2), 1–15.

[6] Postma, R., Ruijtenberg, R., Groenendijk, P., & Wösten, H. (2019). *Organische stof: de moeite waard voor waterbeheer?* H₂O, Water Matters, april 2019, 28-31. Geraadpleegd op 10 februari 2025, van [https://www.nmi-agro.nl/wp-content/uploads/2019/09/Water_Matters_april_2019_Organische_stof.pdf](https://www.nmi-agro.nl/wp-content/uploads/2019/09/Water_Matters_april_2019_Organische_stof.pdf)

[7] Adema, A.A. (1979). *Invloed van het organische stof-, kalk- en lutumgehalte op de bewerkbaarheid van de grond in het voorjaar* (Doctoraalscriptie voor het vak Grondbewerking, Landbouwhogeschool Wageningen).

[8] Kennisakker. (2012, 3 februari). Effecten van organische stofaanvoer op bodem en productie. Geraadpleegd op 1 augustus 2024, van [https://kennisakker.nl/archief-publicaties/effecten-van-organische-stofaanvoer-op-bodem-en-productie3763](https://kennisakker.nl/archief-publicaties/effecten-van-organische-stofaanvoer-op-bodem-en-productie3763) 

[9] Schepens, J., & Koopmans, C. (2023, May). Evaluating carbon sequestration of different alternative management practices in the Netherlands. In *EGU General Assembly Conference Abstracts* (pp. EGU-16990).

[10] Aangepast van Slier, T., Westerik, B., Lesschen, J. P., Koopmans, C., Schepens, J. A. B., & Vervuurt, W. (2022). CO2Bodem Tussenresultaten Slim Landgebruik. Slim Landgebruik. [https://edepot.wur.nl/637760](https://edepot.wur.nl/637760) 

[11] van Leeuwen-Haagsma, W. K., Hoek, H., Molendijk, L. P. G., Mommer, L., Ulen, J., Kroonen-Backbier, B. M. A., & de Groot, G. A. (2019). *Handboek Groenbemesters 2019*. Wageningen University & Research. [https://edepot.wur.nl/474543](https://edepot.wur.nl/474543)

 

![0Logoveld 2025-2.jpg](media://11abd9e1-9e2a-46bc-9023-0e20e56e7c49)