---
title: "3.1 Bodems in Nederland"
canonical: "https://wiki.groenkennisnet.nl/space/BB/826638339/3.1%20Bodems%20in%20Nederland"
format: markdown
---
Wanneer je beter naar een schep grond kijkt zie je al snel dat er meer in de bodem zit dan enkel zand- en kleikorrels (Figuur 3). De bodem bestaat uit een combinatie van lucht, water en minerale deeltjes, die aan elkaar geklonterd zijn met behulp van dood en levend organisch materiaal en waar allerlei processen plaatsvinden. Bodem bestaat uit fysische, chemische en biologische onderdelen. Bodems geven houvast voor planten om in te groeien en een leefomgeving voor allerlei organismen. Planten nemen voedingsstoffen en water op uit de bodem, en laten organisch materiaal achter in de bodem als ze afsterven of hun blad laten vallen. Er zijn dus complexe interacties tussen deze fysische, chemische en biologische eigenschappen, die ook weer beïnvloed worden door de omgevingsfactoren en het gebruik door de mens. Deze fysische, chemische en biologische factoren worden in meer detail in Hoofdstuk 3 beschreven. Daarnaast hebben omgevingsfactoren invloed op de bodem, bijvoorbeeld temperatuur en neerslag . In de bodem leven ook veel organismen, die in  [Hoofdstuk 4](https://wiki.groenkennisnet.nl/space/BBB/538837238/4.+Bepaling+van+de+bodembiologie) worden beschreven.

Grofweg zijn er in Nederland twee bodemgroepen te vinden. De minerale bodems en de organische bodems. Organische bodems bestaan voor het grootste deel (30-60%) uit plantaardig materiaal en zijn bijvoorbeeld laagveenbodems in het veenweidegebied in midden-Nederland. In dit handboek richten we ons op minerale bodems (in Nederland). Minerale bodems bestaan voor het grootste deel uit minerale deeltjes, deze klei- of zanddeeltjes zijn door eeuwenoude of soms meer recente geologische processen, zoals bijvoorbeeld erosie gevormd, met rivieren of de zee mee naar Nederland gekomen, en bij overstroming weer afgezet.

In Nederland is er ruwweg een tweedeling te maken in minerale bodemtypes. Er zijn zandgronden en kleigronden. Zandgronden bestaan uit maximaal 8% klei en minimaal 50% zand. Binnen deze twee groepen zijn er nog meer fijnere indelingen op basis van de verhouding lutum(klei)/silt/zand mogelijk.   Het bodemtype en de omgevingsfactoren (temperatuur, vocht) zijn in grote mate bepalend voor de biologie die in de bodem kan leven. Ook voor bijvoorbeeld pathogeenschade weten we dat de aantasting door Pythium lager is op kleigrond dan op zandgronden. Nattere bodems (door hydrologische omstandigheden lokaal) hebben vaak meer last van bodempathogenen.

In een zandgrond leven meestal minder regenwormen dan in een kleigrond, omdat zandgronden minder organisch stof bevatten en door de korrelstructuur droger zijn dan kleigrond. Zelfs in een goed beheerde zandgrond, waar extra maatregelen worden getroffen om regenwormen te stimuleren, zal het aantal regenwormen in veel gevallen lager blijven dan in een (misschien minder goed beheerde) kleigrond. 


Welke grondsoort op een bepaalde plaats in Nederland te vinden is, is hier te bekijken: [https://www.atlasleefomgeving.nl/bodemkaart-van-nl-150000](https://www.atlasleefomgeving.nl/bodemkaart-van-nl-150000) 

 Meer gedetailleerde informatie over bodems in Nederland is hier te vinden: [https://www.geologievannederland.nl/ondergrond/bodems](https://www.geologievannederland.nl/ondergrond/bodems)


![20221003_103120.jpg](media://7144eec1-6cd0-45e3-a42e-092f582d4632)


![Figuur2.png](media://4866f051-3eb2-4e47-8929-51218122b0c9)

Figuur 4. schematisch overzicht van de samenstelling van bodems. De grijze band geeft aan welke bodems in Nederland gevonden kunnen worden (links); Grondsoortenkaart van Nederland (rechts).  
Bron: [https://www.geologievannederland.nl/ondergrond/bodems.html](https://www.geologievannederland.nl/ondergrond/bodems.html) 


De grondsoort en bodemtype op een bepaalde locatie zijn min of meer een gegeven. Als ondernemer kun je er niet veel aan veranderen en geven ze de randvoorwaarden aan waarbinnen je moet werken. Een perceel heeft nu eenmaal een bepaalde grondsoort en ook de historie van het grondgebruik is een gegeven. Daarbovenop hebben bijvoorbeeld beheer en veranderende weersomstandigheden een grote invloed op de bodem (Figuur 5). Het beheer van de bodem, bijvoorbeeld welke gewassen er groeien of hoe de grond bewerkt wordt (en de historie daarvan) beïnvloeden op een relatief korte tijdschaal (seizoenen, jaren) de bodem. Ook minder makkelijk te beïnvloeden factoren, zoals grondwaterstand of weer hebben invloed op de bodem. Een droge zomer kan in sommige gebieden tot verzilting leiden waarvan de consequenties lang merkbaar blijven.


![image]()



Hoe de bodem gebruikt wordt (landgebruik) en het bodemtype hebben grote invloed op welke bodemorganismen er in de bodem voorkomen. De bodem wordt soms ook wel beschreven als het huis waar de bodemorganismen in leven. Een goed verzorgd huis is gunstig voor het bodemleven. Het huis goed onderhouden kan ervoor zorgen dat er meer bodemorganismen gaan leven. Anderzijds is niet elk huis geschikt voor alle bodemorganismen. Goed voor de bodem zorgen zorgt er dan toch niet voor dat bepaalde organismen meer of überhaupt in de bodem gaan leven.


![0Logoveld 2025-2.jpg](media://47bad839-50ae-421a-a790-aca1e6982169)