We hebben gezien dat de biologische landbouw zich de afgelopen eeuw geleidelijk heeft ontwikkeld vanuit een kleine, sterk door idealen gedreven, groep voorlopers, via een snel groeiende groep nieuwe toetreders die vooral bezorgd waren over de milieuproblemen van de gangbare landbouw in de jaren '60 en '70, naar verdere groei met ondernemers die ook (maar meestal niet alleen) een marktkans zien in biologisch. We hebben gezien dat er een groeiende groep consumenten is die wel eens of zelfs vaak iets biologisch koopt (maar zelden kiest voor uitsluitend biologisch), vaak toch met vooral ik-gedreven motieven (gezonder, lekker enz.). De biologische sector groeit nog volop door.

Tegelijk blijft de biologische sector relatief klein. In de landbouw als geheel neemt de aandacht voor duurzaamheid toe, mede door steeds stringentere regelgeving voor chemische gewasbeschermingsmiddelen en emissies. Duurzaamheidsinitiatieven vertalen zich, ook met een schuin oog op de markt, in een veelheid aan nieuwe keurmerken. Biologisch wordt daardoor wel minder onderscheidend; de eenvoudige tegenstelling gangbaar - biologisch werkt niet meer. Wie doorvraagt weet dat biologisch nog steeds een concept is dat veel meer omvat dan elk van de nieuwe keurmerken en dat biologisch nog steeds over de hele linie beter presteert qua duurzaamheid, maar voor veel consumenten is dat minder zichtbaar en vanzelfsprekend geworden. De biologische sector moet nadenken over onderscheidendheid, herkenbaarheid en perspectief in de toekomst.

Belangrijk voor die onderscheidendheid is ten eerste de wettelijke grondslag voor de certificatie als biologisch, en daarmee de harde garantie voor de basiskwaliteit als biologisch. Geen enkel ander keurmerk geeft die garantie. Ten tweede zorgt de biologische markt nog steeds voor een hogere prijs, die nodig is maar ook kan worden gezien als eerlijk, als werkelijke prijs (zie bij principe Billijkheid in paragraaf 1.2). Andere duurzaamheidsinitiatieven, met hun eigen keurmerken, lukt het meestal niet of maar beperkt om hun duurzaamheidswinst te vertalen in een hogere prijs, en dus duurzaamheid een plek te geven in het verdienmodel van het bedrijf. Dit zijn en blijven de hechte pijlers van de biologische sector.

Voor de groei van de biologische sector is het vooral van belang om niet op die pijlers te blijven rusten. De bio-landbouw moet zich blijven ontwikkelen en profileren als voorhoede, als totaalconcept van een landbouw- en voedselsysteem dat echt duurzaam is, echt gezond en lekker voedsel levert en echt de groeiende wereldbevolking kan voeden en tegelijk een leefbare wereld voor toekomstige generaties na kan laten.

Vanzelfsprekend is dat niet. Een bedrijf dat ‘volgens de regels’ biologisch is, voldoet aan de minimumstandaarden maar zich verder niet ontwikkelt zal zich steeds minder van zijn buren onderscheiden, en dat geldt ook voor het biologisch product in de winkel. Onderscheidend is niet alleen maar een reclame-boodschap; als het erop aankomt moet de sector het ook kunnen waarmaken. Dat vraagt om ondernemers (en vooral om jonge ondernemers, nieuwe toetreders) die

  1. Waarde-gedreven zijn: weten waarom ze kiezen voor biologisch, daar zichtbaar wat mee doen op hun bedrijf en die dat kunnen en durven uit te dragen, te communiceren;
  2. Ondernemend en marktgericht zijn;
  3. Ambitieus zijn, geen genoegen nemen met ‘goed volgens de regeltjes’ maar verder willen gaan, willen surfen op de duurzaamheidsgolf in plaats van erdoor te worden overspoeld.

Dit geldt voor de hele sector, voor de keten van landbouw, handel en verwerking en groot- en kleinhandel. De hele keten moet zichtbaar de uitdaging aangaan om het meest duurzame voedselsysteem te zijn, met de beste (gezondste en lekkerste) producten. Niet alleen hier maar ook elders, dus ook in hoe we met import en export omgaan.

De IFOAM, de internationale koepel van de organisaties van de biologische landbouw, heeft hiervoor het concept Organics 3.0 bedacht, de volgende stap naar werkelijk duurzame landbouw en consumptie.

In die visie staat Organics 1.0 voor de fase van de idealistische voorlopers, de voormannen en -vrouwen als eersten het concept van biologische landbouw bedachten, ermee aan het werk gingen en zo de beweging op gang brachten.

Organics 2.0 staat voor de fase waarin we nu zitten, de praktische uitrol van de idealen naar een steeds breder aanbod van bedrijven en producten. Kenmerkend voor fase 2.0 is de vaststelling van standaarden voor biologisch door regeringen (wettelijk) of nationale organisaties. Die standaarden bakenen biologisch helder af van gangbaar, bieden harde garanties voor de consument en hebben daardoor de verdere groei van de biologische markt mogelijk gemaakt. Tegelijk zijn deze standaarden in feite minimum-vereisten en dekken ze niet alle elementen van de vier principes (gezondheid, ecologie, billijkheid en zorg) af. Bovendien sluiten ze boeren die wel verantwoord produceren maar net niet helemaal biologisch uit en maken ze het lastig om, in de visie van IFOAM, aan te sluiten bij de bredere duurzaamheidsbeweging. Organics 2.0 past bij biologisch als een aparte deel-markt, niet bij een sector die uiteindelijk een alternatief wil zijn voor het hele voedselsysteem.

Daarom ontwikkelt IFOAM Organics 3.0 als een nieuw concept voor de volgende fase. In die fase blijven de standaarden van belang als garantie op basis-kwaliteit als bio, maar wordt de koers bepaald op het resultaat (outcome-based): een duurzaam voedselsysteem aangepast aan de plaatselijke en regionale situatie. Dat betekent een nog sterkere inzet op de hele keten en veel meer aansluiting bij en samenwerking met organisaties en bewegingen die verwante duurzaamheidsdoelen nastreven. Een concept dat aansluit bij de uitdagingen waar ondernemers, en vooral toetreders in de biologische sector, zich nu al voor geplaatst zien.


Verdieping

Organic 3.0, artikel in Ekoland (januari 2016).