Versions Compared

Key

  • This line was added.
  • This line was removed.
  • Formatting was changed.

In de zestiger jaren van de vorige eeuw trokken veel wetenschappers en boerenorganisaties aan de bel. Ze vreesden een genetische erosie, omdat veel rassen hun functie verloren in de voedselproductie. Veel boeren stopten met hun werk op het platteland waar een verscheidenheid aan rassen voorkwam. In dat veranderingsproces werden veel lokale rassen vervangen door een beperkt aantal hoogproductieve rassen. Deze intensief geselecteerde rassen werden ook geëxporteerd naar ontwikkelingslanden. Ze vervingen daar de lokale rassen die heel goed aangepast waren aan de omstandigheden en de management systemen die sterk verschilden van die in de ontwikkelde landen. In 1992 lanceerde de FAO een actie programma voor “The Global Management of Farm Animal Genetic Resources”en voegde daar in 2007 een “Global Action Plan” aan toe na een uitvoerige inventarisatie. De FAO vertaalt “Animal Genetic Resources” (Dierlijke Genetische Bronnen) als het aantal rassen binnen een diersoort. De hiernaast staande figuur laat de situatie zien van de rassen in de wereld.

De FAO heeft veel aandacht besteed aan het definiëren van de risico status van een ras. Dat is niet alleen een kwestie van aantallen. Dat is weliswaar belangrijk, maar er is meer. Worden vrouwelijke dieren alleen benut voor de zuivere fokkerij of worden ze ook gekruist? Een heel belangrijke factor is de voortplantingscapaciteit van een diersoort. Produceert een vrouwelijk dier honderden nakomelingen per jaar zoals bij de kip of produceert een vrouwelijk dier één vervangend fokdier in tien jaar zoals bij het paard? De FAO gebruikt de criteria, : geen risico, kwetsbaar, bedreigd en kritiek voor de kwalificatie van het risico. In de hiernaast taande staande figuur is dit uitgewerkt voor diersoorten met een hoge en met een lage voortplantingssnelheid.

Gebaseerd op het ingeschatte risico voor een ras heeft de FAO een aantal management strategieën ontwikkeld voor een verantwoord gebruik van het ras en om het behoud, de conservering van het ras veilig te stellen. Het hiernaast staande stroomdiagram helpt bij het vinden van een goede strategie afhankelijk van de risico status van het ras.

Voor de rassen die een risico lopen op uitsterven wordt eerst de waarde van het ras ingeschat. Is het een uniek ras en weinig verwant aan andere rassen? Heeft het zich speciaal aangepast aan specifieke omstandigheden? Heeft het nu een functie in de samenleving of is het van belang voor de cultuurhistorie? Het antwoord op die vragen kan men doen besluiten het ras actief te behouden en daar een plan voor te maken. Er kan dan voor gekozen worden het ras levend te bewaren (in vivo conservering) of in een genenbank (in vitro conservering).

Note
iconfalse
titleDefinities

In vivo conservering is het behouden van rassen in levende populaties waarbij de dieren onder normale boerderij omstandigheden worden gehouden in het gebied waar ze thuishoren en zich ontwikkeld hebben.

In vitro conservering is het bewaren van spermacellen, eicellen en embryos in vloeibare stikstof.

Voor de rassen die geen of in het geheel geen risico op uitsterven lopen, is genetische verbetering in een fokprogramma nog steeds mogelijk. Natuurlijk zijn de fokkerijmogelijkheden beperkt in rassen die een risico lopen, omdat er betrekkelijk weinig dieren zijn die de volgende generatie vormen. Voor dergelijke rassen kunnen conserveringsprogramma’s ontwikkeld worden. Dit zijn fokprogramma’s waar het minimaliseren van de verwantschap tussen ouderdieren de eerste prioriteit vormt in plaats van de genetische verbetering. Zoals later in detail zal worden uitgelegd, moeten in conserveringsprogramma’s een relatief hoog aantal vader en moederdieren geselecteerd worden als ouders voor de volgende generatie. In conserveringsprogramma’s wordt gestreefd naar lange generatie intervallen en stieren uit de genenbank kunnen benut worden, wanneer blijkt dat er nog weinig dieren in het ras over zijn met deze stieren in de stamboom.

Het levend bewaren van rassen kan alleen in zorgvuldig opgezette fokprogramma’s waarin rekening wordt gehouden met het kleine aantal dieren, waarbij fokkers nauwgezet de adviezen opvolgen en het programma regelmatig wordt geëvalueerd. Het belangrijkste doel van het levend bewaren is dat de rassen een rol kunnen vervullen in het natuurbeheer, een unieke bijdrage leveren aan streekproducten en als levend erfgoed iets van de cultuur historie kunnen laten zien.