Merknaam: Javelin, Azur

 Groep: ureum verbindingen 

Effect van 4 L/ha IP-FLO toepassing over de vorst op 29-01-86 (wintertarwe). Wegval van plantenEffect van 4 L/ha IP-FLO toepassing over de vorst op 29-01-86 (wintertarwe). Wegval van planten

 

Klik op de afbeelding voor een vergroting.

© Copyright PPO, NVWA (PD), DLV, KAD, Landbrugsinfo

Schadebeeld

Isoproturon, een fotosyntheseremmer, heeft een contact- en bodemwerking. Vooral op de meest zwakke graanplanten kan verkleuring van het eerste blad ontstaan. Regelmatig en op voldoende diepte zaaien (circa 3 cm) vermindert deze symptomen.

Als na de oogst van het graangewas winterkoolzaad wordt ingezaaid kan er verkleuring van de kiemlobben optreden; deze verkleuring heeft geen invloed op de verdere ontwikkeling van het gewas

Belangrijkste symptomen:

Als bodemherbicide:

  • Schade pas zichtbaar na bladvorming
  • Kiembladeren en oudste bladeren vertonen eerste symptomen
  • Chlorose,(verbleking) gevolgd door necrose (afsterving)

Als contactherbicide

  • Bruine spikkels of vlekken op het blad door contactschade
  • Necrose

Specifieke verschijnselen: Witverkleuring vrijwel altijd aan de bladbasis: naar boven uitwaaierend met de nerven mee, maar ook chlorotisch tussen de nerven. Soms is de kleur van de bladeren lichter groen zonder dat necrose optreedt.

Werkingsmechanisme

Ongeveer een derde van alle onkruidbestrijdingsmiddelen remt in de plant de fotosynthese (productie van koolhydraten en zuurstof), die in de chloroplasten (bladgroenkorrels) plaatsvindt.

Door blokkering van de fotosynthese vernietigt het licht de bladgroenkorrels. Het lijkt alsof de plant in het donker opgroeit (zoals bijvoorbeeld witlof). Er ontstaat witverkleuring (chlorose) van het blad. Later wordt het blad geel tot bruin (necrose).

Deze groep is net als groep F en K onderverdeeld in drie subgroepen (C1, C2 en C3). De herbiciden binnen een subgroep hebben een vergelijkbaar werkingsmechanisme. De meeste fotosyntheseremmers zijn vooral bodemherbiciden soms met contactwerking (bijv. isoproturon, metamitron (o.a. Goltix) en metribuzin. (o.a. Sencor WG) Deze middelen worden door de kiemende onkruiden vanuit het bodemvocht opgenomen en naar de bladeren vervoerd (systemische werking). Er moet eerst voldoende groen blad aanwezig zijn wil een middel goed kunnen werken. Daarna moet de concentratie van de werkzame stof voldoende hoog zijn opgelopen wil er schade ontstaan. Daardoor kan het enkele weken na opkomst van gewas en/of onkruid duren voor dat de eerste symptomen zichtbaar zijn. Deze zijn het eerst te zien aan de kiemblaadjes en het oudste blad. Enkele fotosyntheseremmers hebben alleen contactwerking, zoals bentazon (o.a. Basagran en Laddok N), bifenox (Verigal D), fenmedifam (Betanal) en pyridaat (Lentagran WP). Deze middelen verplaatsen zich weinig in de plant. De witverkleuring (chlorose) ontstaat hoofdzakelijk tussen de nerven. Bij fenmedifam treedt de witverkleuring vooral op aan de bladranden, die al gauw necrotisch worden.