Merknaam: Bromotril 250 SC, Emblem, Centrol Combin D

 Groep: hydroxybenzonitrilen 

 Geen beeld beschikbaar.

© Copyright PPO, NVWA (PD), DLV, KAD, Landbrugsinfo

Schadebeeld

Fotosyntheseremmer met blad- en contactwerking

Groep C3 Belangrijkste symptomen:

  • Symptomen lijken op die van bentazon (Basagran, Laddok N) en pyridaat (Lentagran WP), waarbij ook witgele necrotische vlekken optreden.
  • Deze herbiciden, die vooral in granen, grassen en maïs worden toegepast, geven eigenlijk zelden klachten over schade door overwaaien of overdosering. In uien is er bij overdosering wel kans op schade.
  • Bromotril 250 SC: Zaaiprei en opkweek van prei:  Aanvankelijk kan enige lichte gewasreactie optreden in de vorm van bladverbranding en verkleuring. Deze reactie verdwijnt weer en heeft als regel geen gevolgen voor de opbrengst.

Bij voorkeur spuiten onder groeizame omstandigheden en op een droog gewas. Na toepassen kan een lichte gewasreactie optreden in de vorm van bladverbranding en verkleuring. Deze reactie verdwijnt weer en heeft meestal geen gevolg voor de opbrengst. Het middel niet in maïs toepassen bij koud weer, kans op nachtvorst, droogte, insectenschade of andere vormen van gewasstress. Geen minerale olie of een uitvloeier toevoegen aan de spuitvloeistof, omdat dit ernstige schade kan geven aan het gewas.

Werkingsmechanisme

Ongeveer een derde van alle onkruidbestrijdingsmiddelen remt in de plant de fotosynthese (productie van koolhydraten en zuurstof), die in de chloroplasten (bladgroenkorrels) plaatsvindt.

Door blokkering van de fotosynthese vernietigt het licht de bladgroenkorrels. Het lijkt alsof de plant in het donker opgroeit (zoals bijvoorbeeld witlof). Er ontstaat witverkleuring (chlorose) van het blad. Later wordt het blad geel tot bruin (necrose).

Deze groep is net als groep F en K onderverdeeld in drie subgroepen (C1, C2 en C3). De herbiciden binnen een subgroep hebben een vergelijkbaar werkingsmechanisme. De meeste fotosyntheseremmers zijn vooral bodemherbiciden soms met contactwerking (bijv. isoproturon, metamitron (o.a. Goltix) en metribuzin. (o.a. Sencor WG) Deze middelen worden door de kiemende onkruiden vanuit het bodemvocht opgenomen en naar de bladeren vervoerd (systemische werking). Er moet eerst voldoende groen blad aanwezig zijn wil een middel goed kunnen werken. Daarna moet de concentratie van de werkzame stof voldoende hoog zijn opgelopen wil er schade ontstaan. Daardoor kan het enkele weken na opkomst van gewas en/of onkruid duren voor dat de eerste symptomen zichtbaar zijn. Deze zijn het eerst te zien aan de kiemblaadjes en het oudste blad. Enkele fotosyntheseremmers hebben alleen contactwerking, zoals bentazon (o.a. Basagran en Laddok N), bifenox (Verigal D), fenmedifam (Betanal) en pyridaat (Lentagran WP). Deze middelen verplaatsen zich weinig in de plant. De witverkleuring (chlorose) ontstaat hoofdzakelijk tussen de nerven. Bij fenmedifam treedt de witverkleuring vooral op aan de bladranden, die al gauw necrotisch worden.