Gewas: Agapanthus, Anemone, Astilbe, Hosta, Paeonia, Phlox, e.a.

Wetenschappelijke naam: Tobacco Rattle Virus (TRV)

Groep: Virussen

Tabaksratelvirus op blad Pioenroos (Foto: PPO)Tabaksratelvirus op krokus


Klik op de afbeelding voor een vergroting.

© Copyright WUR, NVWA, Delphy, KAD, Landbrugsinfo

Herkenning

Het tabaksratelvirus in planten veroorzaakt vooral pleksgewijs achterblijven in groei. Zieke planten kunnen ook verspreid staan, namelijk als het virus bij het uitplanten al in het plantmateriaal aanwezig was

Door de virusaantasting ontstaat verminderde groei en uiteindelijk een lagere bloemproductie en een verminderde bloemkwaliteit.

De symptomen verschillen per gewas. Op de meeste gewassen ontstaan vlekkerige, gele en gestreepte patronen. Soms zijn de bladranden gekarteld. De bloemen kunnen gestreept zijn. De symptomen hoeven niet in alle stengels/scheuten van dezelfde plant zichtbaar te zijn.

Andere symptomen die voorkomen zijn:

  • Op de bladeren en soms op de stengel bruine tot zwarte streepjes en vlekjes. Deze kunnen necrotisch worden.
  • Soms een gedrongen groei, bladeren gebobbeld, gedrongen en/of samengeknepen.
  • De bladeren hebben gele vlekken, vaak in kringvorm, enkel- en meervoudige kringen en golflijnen.
  • Het virus kan ook symptoomloos voorkomen in bijvoorbeeld pioen.
Levenswijze

Het tabaksratelvirus wordt in de grond verspreid door vrijlevende aaltjes van het geslacht (Para)Trichodorus, die voorkomen in zand- en lichte zavelgronden. Verschillende varianten (serotypen) van het tabaksratelvirus zijn specifiek gebonden aan verschillende Trichodoridae-soorten. De schadedrempel is laag, dus bij weinig nematoden is er al een risico op infectie/verspreiding.

Verspreiding via mechanische wijze (beschadigingen) kan niet worden uitgesloten.

Het virus kan uit verschillende bronnen komen. Het perceel kan besmet raken uit voorafgaande teelten (opslag). Vervolgens kan aanwezig onkruid besmet raken. Nieuwe besmetting kan worden aangevoerd door het planten van besmette partijen of via besmet onkruidzaad.

Onkruiden kunnen als meerjarig virusreservoir dienen omdat TRV via zaad over kan gaan naar een nieuwe generatie onkruid. Tevens leidt virusoverdracht via zaad tot een verspreiding over grotere afstand van virusgeïnfecteerd plantmateriaal dan virusverspreiding uitsluitend via nematoden die slechts 0.5 meter per jaar afleggen.De aantasting is vaak pleksgewijs. Soms komen gezonde scheuten naast zieke voor aan dezelfde plant. Het virus gaat bij vegetatieve vermeerdering over op het grootste deel van de nakomelingen. Als de aantasting erg verspreid is (geen haarden) is het aannemelijk dat het plantmateriaal al besmet was.

De aantasting wordt bevorderd door een tussenteelt van Italiaans raaigras en gele mosterd als zogenaamde tussengewassen. Bladrammenas heeft echter als tussengewas een remmend effect op het optreden van de ziekte.

Het virus heeft een zeer brede waardplantenreeks, o.a.:

  • Vaste planten: o.a. Anemone, Astilbe, Dicentra, Epimedium, Hemerocallis, Hosta, Hylomecon, Iris, Peaonia, Phlox
  • Bolgewassen:  fresia, gladiool, hyacint, krokus, narcis, tulp, Zantedescia
  • Onkruiden: vele onkruiden, waaronder herderstasje, viooltje, vogelmuur, melganzevoet, zwarte nachtschade en klaproos.

De waardplantstatus kan per (para)Trichodoride-aaltje verschillend zijn. Als een bepaald (para)Trichodoride aaltje zich niet kan vermeerderen op een gewas (slechte waardplant), dan is het risico op TRV-overdracht vermoedelijk klein, ook al is dit gewas vatbaar voor TRV. Als een (para)Trichodoride-aaltje zich wel kan voeden op een waardplant van TRV is er wel een groot risico op overdracht.

Maatregelen

Op percelen met Trichodorus en Paratrichodorus moeten onderstaande maatregelen strikt worden gevolgd

  • Gebruik virusvrije partijen;
  • Zieke planten verwijderen of vernietigen;
  • Op zwaardere gronden maken (para)Trichodoriden veel minder kans, dus een kleiner risico op besmetting.
  • Bemonster percelen op (para)Trichoride –aaltjes. Hierbij de (para)Trichodoriden tot op soortniveau laten determineren. Bemonster ook de laag van 30-60 cm
  • Kies een juiste vruchtwisseling
  • Bestrijd zo nodig aanwezige (Para)Trichodoriden aaltjes d.m.v. een teelt van bladrammenas of evt. een chemische grondontsmetting op 30 cm ipv 22 cm.
  • Hef eventuele structuurproblemen in het perceel op en zorg voor een goede drainage.
  • Opslag verwijderen en onkruiden bestrijden vóór en tijdens de teelt. Houd er rekening mee dat onkruid bij een chemische bestrijding nog enkele dagen/weken een infectiebron voor virus kan zijn.
  • Controleer achteraf op TRV door wortels van het gewas en van onkruiden te laten toetsen;
  • Voer de bedrijfshygiëne stringent door.
Meer informatie