Gewas: Ericaceae

Groep: gebreksziekten

Calluna vulgaris 'H.E. Beale' (van links naar rechts) controle, stikstof en fosfaatgebrekRhododendron (Japanse Azalea) 'Blaauws Pink' (van links naar rechts) controle, stikstof en fosfaatgebrek
 
Rhododendron molle (Azalea mollis) (van links naar rechts) controle, stikstof en fosfaatgebrek 

 

Klik op de afbeelding voor een vergroting.

© Copyright PPO, NVWA (PD), DLV, KAD, Landbrugsinfo

Symptomen

Ericaceeën hebben bij een ernstig stikstofgebrek een zeer korte gedrongen groei. Na het uitlopen van de knoppen blijft met name bij Rhododendron het schot kort. Het blad is klein en lichtgroen van kleur. Het oudere blad kan een geelgroene tot gele kleur krijgen en kan vervroegd afvallen. Ook bij Azalea's worden de bladeren van de planten lichtgroen van kleur en deze blijven klein. Bij oudere planten worden de oudste bladeren geel en vallen af. Bladverliezende Azalea zal het blad vervroegd afvallen.

Calluna en Erica zijn bij stikstofgebrek lichter van kleur, weinig vertakt en hebben een ijle stand. Het gewas blijft sterk achter in omvang in vergelijking met normaal bemeste planten De bloei is vroeger.

Bladanalyses

Gebrek uit zich grofweg bij een stikstofgehalte beneden 12 g per kg droge stof.

Voorkomen en genezen

Stikstof of N is een van de hoofdelementen in de bemesting, dat wil zeggen dat een gewas naar  verhouding veel van dit element opneemt. Stikstof is voor de plant van belang voor de vorming van eiwitten, allerhande organische verbindingen en bladgroen.

Stikstof is met name van belang voor de  bladvorming en beinvloedt dus de fotosynthese capaciteit van een gewas. Een tekort aan stikstof kun je herkennen aan een gewas, dat achter blijft in groei, lichtgroen van kleur is en naar verhouding minder bladrijk is. Een goede stikstof voorziening is noodzakelijk voor een goede opbrengst. In baktarwe zorgt stikstof voor een hoger eiwitgehalte in de korrel, dit komt de bakkwaliteit ten goede. De N bemesting heeft in de meeste gewassen een optimum, als je te veel bemest heeft dat vaak gevolgen voor de kwaliteit: in suikerbieten daalt het suikergehalte en de winbaarheid, in zetmeelaardappelen het onderwatergewicht, in brouwgerst de brouwkwaliteit. Een N overmaat kan leiden tot lange en slappe gewassen waardoor in granen legering kan optreden. Door meer bladvorming ontstaat een microklimaat in het gewas dat gunstig is voor schimmels. Granen worden bijvoorbeeld gemakkelijker aangetast door meeldauw en roesten.

Soms is er wel voldoende stikstof in de bodem aanwezig, maar moeilijk opneembaar voor de plant door een slecht ontwikkeld wortelstelsel (structuurschade, verdichting, slechte fosfaat opname) of doordat N wordt vastgelegd in microbieel eiwit . Voor de omzetting van organisch materiaal in humus is stikstof nodig, deze N is dan (tijdelijk) niet beschikbaar voor het gewas.

Gewassen met een ruime N voorziening blijven langer vegetatief (vorming van bladapparaat) en gaan pas later afrijpen. Gewassen die vroeg geoogst worden, zoals pootaardappelen, moeten dus niet te zwaar met stikstof bemest worden.

Een zware stikstofbemesting op grasland heeft een hoger eiwitgehalte van het gras tot gevolg, dat bemoeilijkt de magnesium opname door de koe met kopziekte als mogelijk gevolg. In  voedergewassen kan in de herfst een verhoogd nitraatgehalte voorkomen. Dat kan bij het vee tot nitraatvergiftiging leiden. In de moderne veehouderij wordt de stikstof bemesting in de loop van het groeiseizoen afgebouwd, waardoor nitraatvergiftiging en te hoog eiwitgehalte in het gras minder vaak zullen voorkomen.