Gewas: Aardappelen

Groep: gebreksziekten

Geen beeld beschikbaar.

© Copyright PPO, NVWA (PD), DLV, KAD, Landbrugsinfo

Symptomen

De belangrijkste verschijnselen van stikstofgebrek zijn achterblijven in groei, licht gekleurde, bleke planten, steilere stand van het gewas en licht opkrullende bladeren.

Stikstof wordt in de plant gemakkelijk getransporteerd. De N wordt verplaatst van ouder blad naar jonger blad. De verschijnselen zijn dus het eerst te zien in het oudste blad, dus de lagere bladetages in het gewas. N heeft een grote invloed op de uiteindelijke gewasopbrengst. De planten blijven kleiner en het gewas sterft eerder af. Een ruime stikstofvoorziening vertraagt de afrijping van het gewas. Het gewas vormt meer blad en begint later met de knolzetting. Vroege teelten zoals primeurteelten en pootgoed moeten dus een lagere N bemesting hebben dan late teelten of late rassen. Stikstof gebrek is van invloed op de opname van andere voedingselementen zoals sporenelementen.

Achtergrondinformatie over Stikstof

Stikstof of N is een van de hoofdelementen in de bemesting, dat wil zeggen dat een gewas naar  verhouding veel van dit element opneemt. Stikstof is voor de plant van belang voor de vorming van eiwitten, allerhande organische verbindingen en bladgroen.

Stikstof is met name van belang voor de  bladvorming en beinvloedt dus de fotosynthese capaciteit van een gewas. Een tekort aan stikstof kun je herkennen aan een gewas, dat achter blijft in groei, lichtgroen van kleur is en naar verhouding minder bladrijk is. Een goede stikstof voorziening is noodzakelijk voor een goede opbrengst. In baktarwe zorgt stikstof voor een hoger eiwitgehalte in de korrel, dit komt de bakkwaliteit ten goede. De N bemesting heeft in de meeste gewassen een optimum, als je te veel bemest heeft dat vaak gevolgen voor de kwaliteit: in suikerbieten daalt het suikergehalte en de winbaarheid, in zetmeelaardappelen het onderwatergewicht, in brouwgerst de brouwkwaliteit. Een N overmaat kan leiden tot lange en slappe gewassen waardoor in granen legering kan optreden. Door meer bladvorming ontstaat een microklimaat in het gewas dat gunstig is voor schimmels. Granen worden bijvoorbeeld gemakkelijker aangetast door meeldauw en roesten.

Soms is er wel voldoende stikstof in de bodem aanwezig, maar moeilijk opneembaar voor de plant door een slecht ontwikkeld wortelstelsel (structuurschade, verdichting, slechte fosfaat opname) of doordat N wordt vastgelegd in microbieel eiwit . Voor de omzetting van organisch materiaal in humus is stikstof nodig, deze N is dan (tijdelijk) niet beschikbaar voor het gewas.

Gewassen met een ruime N voorziening blijven langer vegetatief (vorming van bladapparaat) en gaan pas later afrijpen. Gewassen die vroeg geoogst worden, zoals pootaardappelen, moeten dus niet te zwaar met stikstof bemest worden.

Een zware stikstofbemesting op grasland heeft een hoger eiwitgehalte van het gras tot gevolg, dat bemoeilijkt de magnesium opname door de koe met kopziekte als mogelijk gevolg. In  voedergewassen kan in de herfst een verhoogd nitraatgehalte voorkomen. Dat kan bij het vee tot nitraatvergiftiging leiden. In de moderne veehouderij wordt de stikstof bemesting in de loop van het groeiseizoen afgebouwd, waardoor nitraatvergiftiging en te hoog eiwitgehalte in het gras minder vaak zullen voorkomen.

Maatregelen
  • Zorgen voor voldoende opneembare N in de grond.
  • Bladsteeltjes onderzoek op nitraat geeft al aan of er sprake is van N gebrek voordat het gewas verschijnselen vertoont.
  • Bij zichtbare gebreksverschijnselen: overbemesten met 30 tot 50 kg N, de grootte van de gift afhankelijk van de N die nog mogelijk kan vrijkomen uit organische bemesting.
  • Bespuiting met Urean of andere bladmeststof. Oppassen voor bladverbranding!