Gewas: Bromelia's  en andere gewassen

Wetenschappelijke naam: Tetranychus urticae

Groep: Schimmels

 
Spintschade in Guzmania JazzSpint eieren, huid en volwassen (adult)
  
Spintschade in Guzmania Luna 

 

Klik op de afbeelding voor een vergroting.

© Copyright PPO, NVWA (PD), DLV, KAD, Landbrugsinfo

Herkenning

Spintmijten behoren tot de spinachtigen. Binnen de familie van de Tetranychidae is Tetranychus urticae het meest polyfaag (tast zeer veel verschillende gewassen aan).

De spintmijten bevinden zich voornamelijk aan de onderzijde van de bladeren. Ze prikken cellen aan en zuigen die leeg. De lege cellen kleuren geel. Aan de bovenzijde van de bladeren is deze schade te zien als kleine puntjes. Bij een ernstige aantasting worden de bladeren helemaal geel en door het verdwijnen van het bladgroen sterven ze uiteindelijk af.

Bij grote aantallen mijten kunnen de planten volledig worden bedekt door webben, waarin het kan krioelen van de spintmijten.

Levenswijze

De populatie bestaat uit mannetjes en vrouwtjes. De mannetjes zijn kleiner, langwerpiger en actiever dan de vrouwtjes, Ze hebben een licht gele kleur. De kleur van de volwassen vrouwtjes varieert van oranje, lichtgeel, lichtgroen, donkergroen, rood, bruin tot zelfs bijna zwart en is afhankelijk van het gewas waarop ze voorkomen.

De ontwikkelingsfasen van spint zijn: ei, larve, nymf en volwassen mijt. De ontwikkelingsduur van ei tot volwassen mijt is afhankelijk van de temperatuur en bedraagt onder zomerse omstandigheden (boven de 20°C) minder dan twee weken. Boven de 30°C is dit circa één week. De eieren zijn rond en worden voornamelijk afgezet aan de onderzijde van de bladeren. De larven hebben drie paar poten. De nymfen en de volwassen mijten hebben vier paar poten.

Bij de onvolwassen stadia van de spint worden een actieve en een rustperiode onderscheiden. In de rustperiode ontwikkelen de mijten zich tot het volgende stadium. Na iedere vervelling blijft een witachtig huidje achter.

Maatregelen
  • Spintmijten kunnen goed biologisch worden bestreden. Voor biologische bestrijding wordt gebruik gemaakt van roofmijten ( bijv. Phytoseiulus persimilis), galmuggen (Feltiella)en roofwantsen (Macrolophus).
  • Bij chemische bestrijding kan een keuze worden gemaakt uit middelen, die gecombineerd kunnen worden met de natuurlijke vijanden. Dit worden correctiemiddelen genoemd.