Prooi: bladluizen, vliegen, galmuggen en jonge rupsen

 Wetenschappelijke naam: Araneae.(zeer veel soorten)

 Groep: Natuurlijke vijanden

kruisspin - Araneus diadematus, adultkruisspin - Araneus diadematus, nest met jongen
springspin - schorsmarpissa - Marpissa muscosawolfspin - Pardosa sp

 

Klik op de afbeelding voor een vergroting.

© Copyright PPO, NVWA (PD), DLV, KAD, Landbrugsinfo

Herkenning

De orde van Araneae of spinachtigen kent vele geslachten en soorten. Hun lichaam bestaat uit twee duidelijk te onderscheiden delen: de tot één geheel geworden kop en borst en het achterlijf.

De meeste spinnen hebben acht ogen, die vaak op een voor de diverse spinnenfamilies kenmerkende wijze zijn gerangschikt. Ze hebben acht poten en zijn meestal bruinachtig of grijs. Ze zijn 2 - 20 mm groot. De mannetjes zijn gewoonlijk kleiner dan de vrouwtjes en hebben ook een andere bouw en een andere kleur.

De eieren worden in cocons gedeponeerd; het vrouwtje sjouwt die soms met zich mee of bewaakt ze in veel gevallen totdat de jongen zijn uitgekomen. Jonge spinnen verspreiden zich vaak door middel van speciale spindraden. Zij laten zich aan deze draadjes meevoeren met de wind en bereiken zo nieuwe gebieden. In de herfst lijken weilanden soms met een deken van zulke draadjes bedekt. De vrouwtjes leven ongeveer 1-2 jaar. De mannetjes sterven kort na de paring.

Levenswijze

De leefwijze van de ruim 500 spinnensoorten die in Nederland voorkomen is heel divers. Grote families zijn de kaarde-, buis-, krab-, wolf-, kogel-, strek-, hangmat- en wielwebspinnen. Maar ze eten allemaal insecten, waarbij vliegen, muggen en bladluizen het belangrijkste voedsel zijn.

Niet alle soorten bouwen een web om hun prooi te vangen. Er zijn ook soorten die in het gewas klimmen of juist lopend over de grond jagen (bijv. wolfspinnen). De vorm van het web is vaak specifiek voor een bepaalde familie. Spinnen kunnen lang hongeren, maar hebben wel vocht nodig. In akkerranden kunnen soms tot wel 300 spinnetjes per vierkante meter voorkomen. Veel soorten hebben voorkeur voor dichte gewassen zoals grassen, granen en peulvruchten.

Allerlei natuurlijke vijanden zorgen ervoor dat de populatie spinnen niet te groot wordt. Veel spinnen vallen ten prooi aan allerlei soorten wespen (weg-, graaf- en sluipwespen), parasitair levende vliegensoorten en vogels.

Toepassing

In de akkerbouw zijn vooral op de grond levende spinnen (die meestal geen web maken) belangrijk. Wolfspinnen en dwergspinnen (rond de 2 mm groot) kunnen in akkers voorkomen in aantallen tot wel 500.000 exemplaren per hectare.

Hoe meer variatie en structuur er in de bodem en vegetatie aanwezig is, hoe groter de dichtheden van spinnen zijn. Akkers worden in het voorjaar vooral vanuit de omgeving gekoloniseerd, dus natuurgebieden, ruige slootkanten, bosjes en houtwallen zijn belangrijke bronnen van spinnen in het landschap. In de fruitteelt zijn spinnen die in de bomen klimmen belangrijke natuurlijke vijanden van bladluis- en rupsenplagen. Windschermen en hagen zijn daar een belangrijke overwinteringsplek voor spinnen.

Veel spinnen zijn gevoelig voor breedwerkende gewasbeschermingsmiddelen, dus wees daar voorzichtig mee.