Een plantengal is een afwijking van het normale uiterlijk van een plant als gevolg van een specifieke reactie op de aanwezigheid van een bepaald organisme. Die organismen kunnen heel verschillend zijn zoals insecten, mijten, schimmels en bacteriën. De galverwekker scheidt stoffen uit die de plant aanzetten tot het maken van extra weefsel. Dat weefsel biedt de galverwekker of de larven daarvan voeding en bescherming.

Behalve de galverwekker of de larven daarvan kun je soms ook andere organismen aantreffen in de gal: Inquilinen, parasieten en hyperparasieten.

  • Inquilinen zijn organismen die mee eten van het galweefsel.
  • Parasieten zijn organismen die leven van de oorspronkelijke galbewoner: sluipwespen die hun eitjes leggen in de larven van de galverwekker. De larven van de sluipwesp eten de larve van de galverwekker van binnenuit op tot deze dood gaat. Die sluipwespen kunnen op hun beurt ook weer geparasiteerd worden door hyperparasieten.

Voor meer achtergrondinformatie over gallen en voor meer afbeeldingen ervan zie het boek Plantengallen (2017), geschreven door Arnold Grosscurt en uitgegeven door de KNNV. Meer beelden en beschrijvingen van plantengallen zijn ook te vinden op www.plantengallen.com. Op de website Plantparasieten van Europa staan fraaie macro-beelden van veel plantengallen en hun verwekkers.



  • Page:
    Ananasgalwesp —   Een groot aantal forse schubben vormen een gal, de ananasgal, ook wel hopgal of eikenroos genoemd. De gal ontwikkelt zich meestal uit okselknoppen van tweejarige takken en is ongeveer 1-2 cm lang en 1 cm breed. 

  • Page:
    Appelblad- en perenbladgalmug — De appelbladgalmug en de perenbladgalmug kunnen soms in jonge aanplanten en in de vruchtboomkwekerij aantasting veroorzaken. Bladgalmuggen zijn kleine muggen, 2 mm lang, die in de scheuttoppen hun eieren afzetten.

  • Page:
    Appelbladmijt —   Op de onderkant van het blad (soms ook aan de bovenkant) zitten plekken met viltige beharing, vooral langs de hoofdnerf. De haarkussentjes (erinea) zijn eerst wit, later roestbruin. 

  • Page:
    Azaleabladgast - Oortjesziekte — De ziekte dankt de naam oortjesziekte aan het feit dat de bladeren opgezwollen en gekromd uitgroeien. In een later stadium worden de misvormde bladeren bedekt met wit poeder.

  • Page:
    Azaleabladmijt —   De bladranden zijn naar beneden ingerold. Bladeren gekronkeld. Galmijten zijn zeer klein, ca. 0,2 mm, dus niet of nauwelijks met het blote oog waarneembaar. 

  • Page:
    Berkenheksenbezem — De takken blijven vanuit één punt steeds in verschillende richtingen uitlopen. De knoppen van de heksenbezem lopen in het voorjaar het eerste uit. De bleekgele bladeren van uitlopers zijn bedekt met sporen.

  • Page:
    Beukengalmug —   Deze gallen komen uitsluitend voor op beuken. De gallen zitten op de bovenkant van het blad, zijn hard, eivormig en glad en hebben een spitse punt. De gallen zijn ca. 5-10 mm hoog, zijn op de nerven vastgehecht en komen vaak in groepjes voor op een blad. 

  • Page:
    Biggenkruidgalwesp — De gallen zijn lange, spoelvormige opzwellingen van de stengel. Ze zijn 1-5 cm lang en ca. 7 mm dik en zijn soms gekromd. De gal is aanvankelijk sappig, maar later hard en vaak in de lengte gegroefd. Een gal bevat een aantal ronde larvenkamers bewoond door witte galwesplarven.

      


  • Page:
    Blaasgalbladwesp —   De gallen zijn eivormig, maximaal 8 mm lang en hebben een harde, dikke wand. De gal steekt naar beide zijden van het blad uit. De buitenkant is kaal en glad, groen tot geel en vaak ook rood aangelopen. 

  • Page:
    Bloedblaarluis — Bloedblaarluis is een wijdverspreide plaag op rode, witte en soms op zwarte bes. Aangetast blad heeft rode vlekken, zogenaamde bloedblaren. Zware aantasting veroorzaakt sterke verkleuring en verschrompeling van het blad.

  • Page:
    Bloedvlekkenluis — Bloedvlekkenluis is een plaag die meestal slechts pleksgewijs op enkele bomen voorkomt in een boomgaard. Het blijkt vaak dat de plaag jaar op jaar in dezelfde bomen voorkomt. Bloedvlekkenluis maakt gallen in het blad.  

  • Page:
    Boterbladgalmug — De bladslippen zijn als een puntzakje samengevouwen en verdikt. Het blad is bros en breekt makkelijk bij het openrollen. De buitenkant (= onderkant blad ) is vaak rood aangelopen. De larven in de gal zijn eerst wit en verkleuren later naar oranjerood.

  • Page:
    Builenbrand - mais — Builen op stengel en kolf, omgeven door een zilverkleurig vlies. In de builen zwarte sporen die, als ze rijp zijn en op de grond vallen tenminste vier jaar kiemkrachtig kunnen blijven.

  • Page:
    Buxustopmijt — De larven en de volwassen mijten leven in de eindknoppen en zijn met het blote oog niet waar te nemen. Deze knoppen lopen niet uit en worden kroezig en geel, later afsterving.

  • Page:
    Duizendbladgalmug —   In de oksels van de bladeren zitten eivormige of meer cylindrische gallen van 3-9 mm hoog. In het begin zijn de gallen groen en zacht, later worden ze hard en glanzend zwart. In de top bevindt zich een opening die toegang geeft tot de larvekamer. Die opening is met haren bekleed. In de larvekamer leeft een gele galmuglarve.

  • Page:
    Eikentopgalmug — Bij aantasting door eikentopgalmug lopen de eindknoppen van eik lopen nauwelijks uit. De misvormde scheutjes verwelken en worden zwart en vallen spoedig af.

  • Page:
    Elzenviltmijt —   Op de onderzijde van het blad ontwikkelen zich witte tot roodbruine haarkussentjes (erinea) die vaak samensmelten tot onregelmatige ovale clusters. Aan de bovenzijde van het blad ontstaan op die plekken lichtgroene blaasjes.

  • Page:
    Esdoornhoornmijt —   Op de bovenzijde van het esdoornblad bevinden zich zeer dicht bij elkaar zittende hoornachtige langwerpige galletjes die geel tot helderrood zijn. De gallen zijn 1-6 mm hoog en de opening bevindt zich aan de onderzijde. 

  • Page:
    Essenbloesemmijt —   De bladknoppen of bloeiwijzen vervormen tot onregelmatige, bloemkoolachtige structuren die vaak in clusters voorkomen. Ze zijn eerst groen, later bruin of zwart. Na de bladval zijn ze nog lang opvallend aanwezig.

  • Page:
    Galappelwesp — Cynips quercusfolii is een kleine zwarte galwesp. Zijn larven veroorzaken gallen die zich vormen op de bladeren van sommige soorten eiken. De gallen hebben een diameter van 15 tot 25 mm.

  • Page:
    Gleditsiabladgalmug — De jonge blaadjes komen niet open. In de verdikte, opgerolde bladeren, als een peultje, ontwikkelen zich de rode larven, dit leidt tot een bossige groei en kale takken. Jonge bomen kunnen in de groei worden geremd.

  • Page:
    Harsbuilmot —   Spoelvormige opzwelling van een jonge scheut, die aan één zijde met een dikke klomp hars bedekt is. De schors en de harskanalen zijn vergroot, het hout is dikker geworden. 

  • Page:
    Hoornbloembladvlo

    De bloemen zijn min of meer vergroend, de bloembekleedselen groeien uit de schelpvormige blaadjes die tezamen een rondachtige knop vormen.

  • Page:
    Iepgrasluis —   Op de bovenzijde van het blad zitten breedgesteelde knotvormige onbehaarde gallen van 0,5-1,5 cm hoog. De gal verkleurt in de loop van het groeiseizoen van groen naar geel naar roodbruin. 

  • Page:
    Knobbelziekte — Aan de basis van de stengel, vooral op de kraag, maar niet op de wortels, komen wratachtige woekeringen voor. Deze kunnen zeer verschillend van grootte zijn van 1 tot 10 cm in doorsnede (foto).

  • Page:
    Kruisbloemgalmug — De gallen zijn bloemkoolvormig, wit en sponsachtig. Ze zitten aan het einde van een bloeiwijze of in de oksels van de bladeren en zijn ongeveer 1 cm in doorsnede. De galmuglarven in de gal zijn geel tot oranje. De bloemknoppen of bloemen steken soms dwars door de gal heen.

  • Page:
    Lijsterbespokmijt —   Op zowel onderzijde als bovenzijde komen kleine opzwellingen voor van 1-2 mm doorsnede. Ze zijn eerst wit en later bruin. De gallen kunnen in grote aantallen op een blad voorkomen.

  • Page:
    Lindegalmijt — Op de bovenkant van de bladeren vinden we ronde geelgroene kegelvormige uitstulpingen die zeer kleine mijten bevatten. Ernstige aantastingen kunnen de bladeren misvormen.

  • Page:
    Meldeluis —   De randen van het blad krullen in de lengte naar boven om. Bij sterke infectie van jonge bladeren rolt daarbij het hele blad op. Het blad wordt daarbij ook geelachtig en iets verdikt. 

  • Page:
    Moederkoorn — Moederkoorn komt meestal voor bij rogge, maar kan ook op andere graangewassen en op grassen worden aangetroffen. 

  • Page:
    Moerasspireabladpokgalmug —  Op de hoofdnerf en op andere nerven zijn kleine (ca. 2 mm) knobbelvormige gallen vastgehecht, die aan beide zijden van het blad uitsteken. Aan de bovenkant zijn de gallen halfbolvormig of onregelmatig gevormd, aan de onderkant zijn de gallen puntig met een met fijne haren beklede opening.

  • Page:
    Moerasspireabladvlekgalmug —   Op de bovenzijde van het blad ontstaat een kleine bult omgeven door een heldergele zone die tot 5 mm in diameter kan worden. Aan de onderkant van het blad zit dan een zeer ondiepe inzinking. Als er veel vlekken zijn, kunnen die in elkaar overvloeien. 

  • Page:
    Perenpokmijt — De aantasting die de perengalmijt veroorzaakt, wordt ook wel perenpokziekte genoemd. Vooral de rassen Doyenné du Comice en Beurré Hardy zijn gevoelig, maar ook bij Conference komt aantasting voor.

  • Page:
    Perenroestmijt — Roestmijt kan bij afwezigheid van natuurlijke vijanden een belangrijke plaag vormen in de fruitteelt en de vruchtboomkwekerij. De mijten zuigen aan de onderkant van de bladeren de cellen leeg.

  • Page:
    perzikkrulziekte — Perzik is zeer vatbaar voor de krulziekte die veroorzaakt wordt door een schimmel. De aangetaste scheuten zien er opgezwollen uit, bladeren zijn gebobbeld, opgezwollen en misvormd met geelgroene tot rode blaren.

  • Page:
    Pruimenschorsmijt — De gallen zijn ongeveer 2 mm hoge harde platte en ronde wratjes op de takken, vaak verscheiden bijeen, vaak in ring rond rondom de tak en vooral op en bij oude bladlittekens en knoppen.

  • Page:
    Radijsgalmug —   De bloemknop is opgezwollen en blijft gesloten. De gal is min of meer bolvormig. De kelkbladeren zijn vergroot, de bloemkroonbladeren blijven kort. De meeldraden zijn gebogen en onregelmatig verdikt. 

  • Page:
    Roze perenluis — De roze perenluis komt alleen op peer voor. Hij is minder schadelijk dan roze appelluis en komt alleen in sommige jaren voor. Pleksgewijs worden hooguit enkele bomen aangetast.

  • Page:
    Rozengalwesp — Op wilde rozen (vrijwel nooit op gekweekte rozen) vinden we gele tot roodbruine gallen. Deze mosachtige gallen zijn afhankelijk van de hoeveelheid larven zeer klein (enkele mm) tot vrij groot (tot cm doorsnede) en dicht bekleed met lange vertakte haren. De gal wordt bedeguaargal, mosgal of slaapappelgal genoemd.

  • Page:
    Rozetgal - woekerziekte - Dahlia — Op de kraag en het stengeldeel vlak daarboven komen bloemkoolachtige woekeringen voor. Hierop ontstaat een groot aantal knoppen, die soms blauwrood van kleur zijn en vaak zwakke, dunne spruiten vormen.

  • Page:
    Satijnknoopgalwesp — Satijnknoopgallen zijn schijfvormige galletjes van 2-3 mm doorsnede met een diepe centrale inzinking. De buitenrand is bezet met radiaal gerangschikte zijdeachtige, goudbruine haren. De galletjes zitten meestal in grote aantallen op de onderkant van het blad. Elke gal bevat één larve.

  • Page:
    Schimmelende kroonkruidgalmug —   Ronde tot eivormige zwelling op de peul van bont kroonkruid. Elke gal bevat één galmuglarve. De binnenkant van de gal is bedekt met schimmelpluis. De geparasiteerde peulen blijven langer groen dan de ongeparasiteerde peulen.

  • Page:
    Smeerwortelgalmug —   De bloemknoppen blijven gesloten, zij zijn onregelmatig en sterk verdikt, vooral aan de basis en min of meer ontkleurd. De bloemkroon is slecht ontwikkeld, de meeldraden blijven kort en zijn verdekt, net als de stamper.

  • Page:
    Sparappelgalluis — Aan de basis van jonge scheuten ontstaan tot circa 3 cm grote gallen (ananasgallen). Deze gal bestaat uit een groot aantal dicht op elkaar geplakte naalden waarvan de bases sterk verdikt zijn. Boven een gal ontwikkelt zich meestal nog een scheut met normaal gevormde groene naalden. Soms is de scheut sterk verkort en zijn de naalden dof en vallen snel af.

  • Page:
    Stikstofwortelknolletjes —   Op de wortels van vlinderbloemige planten (Fabaceae) vormen zich onregelmatige knolletjes van enkele mm doorsnede. De wortels van vlinderbloemige planten scheiden bepaalde stoffen (flavonoïden) uit die Rhizobium aantrekken. Deze stoffen zetten de bacterie aan tot het vormen van stoffen die op hun beurt de plant aanzetten tot het maken van galweefsel, de knolletjes.

  • Page:
    Tarwestengelgalmug — Aantasting van de tarwestengelgalmug is te herkennen aan de zadelvormige ribbels, die op aangetaste stengels ontstaan. Deze ribbels zijn de gallen van de galmug. Aangetaste gewassen geven minder opbrengst.

  • Page:
    Valse meeldauw van de kruisbloemen —   De assen van de bloeiwijzen zijn verdikt en vaak gekromd en geheel bedekt met wit schimmelpluis.

  • Page:
    Veenwortelgalmug —   De randen van de bladeren zijn opgerold. Deze randen verdikken zich sterk op plaatsen waar de larven zich bevinden. De kleur van de gallen is geelgroen tot rood. In de lange larvenkamer leven rode galmuglarven. De gal is bros en zal breken bij uitrollen.

  • Page:
    Watermuntbloesemmijt —   De eindstandige bloeiwijzen zijn veranderd in een onregelmatige verwarde massa van dicht witbehaarde en vergroende bloemen.

  • Page:
    Weymouthdennenblaasroest - zwartebessenroest — Deze schimmel heeft twee waardplanten die elk verschillende stadia van de schimmel bevatten. De ene waardplant is één van de Ribes-soorten, de andere is één van de Pinus-soorten waarvan de naalden in bosjes van vijf bij elkaar staan, bijvoorbeeld de weymouthden.

  • Page:
    Wollige slawortelluis — De luis leeft op de wortels van sla, witlof en andijvie (Composietenfamilie). Tussen en op de wortels wordt een witte, wollige, op schimmel gelijkende massa, aangetroffen met daarin bleekgroene luizen.

  • Page:
    Wortelknobbelbacterie - kroongalziekte — Aan de wortels, op het ondergrondse stengelgedeelte en op stengels ontstaan door bacteriën kleine of grote ronde wratachtige knobbels. De knobbels kunnen de grootte van een voetbal bereiken.

  • Page:
    Wratziekte — Het meest in het oog springend symptoom van wratziekte, zijn de bloemkoolachtige woekeringen, die op vrijwel alle plantendelen kunnen worden gevormd. Deze woekeringen kunnen een grootte tot 10 cm doorsnede bereiken.

  • Page:
    Zilverschoonkortvoetgalwesp —   Meestal dicht bij de wortelstok en onder mos en tussen gras en andere planten verborgen, ontstaan gallen op stengels van tormentil. Deze gallen zijn rond of ovaal, ongeveer 3 mm groot. Ze komen zijdelings uit de stengels.


  • No labels