Prooi: Omnivoor (= alleseter) waaronder bladluizen, schildluizen, bladvlooien en andere kleine insecten

 Wetenschappelijke naam: Dermaptera

 Groep: Natuurlijke vijanden

Volwassen oorwormAdult met jongen


Klik op de afbeelding voor een vergroting.

© Copyright PPO, NVWA (PD), DLV, KAD, Landbrugsinfo

Herkenning

De gewone oorworm (Forficula auricularia) is de in ons land meest voorkomende van de vijf inheemse soorten. De andere, minder algemeen voorkomende soorten zijn de grote oorworm of zandoorworm (Labidura riparia), de kleine oorworm (Labia minor), de bosoorworm (Chelidurella guentheri) en d parkoorworm (Apterygida media).

Het diertje is bruin van kleur en wordt 16-20 mm lang.  Het lange achterlijf wordt bedekt met korte dekschildjes, waaronder kunstig gevouwen vleugels zijn opgeborgen. Oorwormen kunnen daarmee goed vliegen. De tangen aan het achterlijf van het mannetje zijn ongevaarlijk en worden vooral gebruikt om na het vliegen de vleugels op te vouwen.

Levenswijze

Oorwormen zijn alleseter die soms ook schadelijk kunnen zijn voor planten. Zij kunnen bijvoorbeeld bloemknoppen of fruit aanvreten. Maar oorwormen kunnen in korte tijd grote bladluiskolonies opruimen. Ook eet de oorworm graag de eitjes van spinselmotten en andere vlinders en meeldauw. Ze zijn vooral in de schemering en 's nachts actief. Tegen de ochtend zoeken ze donkere en nauwe schuilplaatsen op.

Oorwormen worden nog wel eens als 'vies' of eng beschouwd vanwege het platte lichaam en het feit dat ze overal tussen kruipen, net als kakkerlakken. Ook worden ze wel eens knijptangen genoemd. Vleugels zijn niet te zien, maar deze zijn wel aanwezig onder de kleine voorvleugels. De oorworm kan er zelfs goed mee vliegen al gebeurt dat zelden.

De  oorworm  heeft  één  generatie  per  jaar. In  het  vroege  voorjaar  legt  het  vrouwtje 40-80  eieren  in  een  ondergronds  nest. Begin  mei  verschijnen  daaruit  de  jonge nimfen.   De   eerste   twee   nimfenstadia verblijven in de toplaag van de bodem, in de buurt van het nest. Sommige vrouwtjes hebben later in de loop van mei een tweede legsel. Begin juni verplaatsen de oorwormnimfen zich naar de bovengrondse vegetatie. Daar vindt de verdere ontwikkeling plaats tot volwassen dier. Vanaf medio september verplaatsen de volwassen oorwormen zich naar de grond, waar zij de winter doorbrengen

De levensduur van een oorworm  is ongeveer14-16  maanden. In juni worden nog maar weinig volwassen dieren van het vorige jaar waargenomen.

Toepassing

Het blijkt dat oorwormen aan onbeschadigde vruchten geen schade toebrengen. De oorworm is een belangrijke natuurlijke vijand van veel boomgaardplagen, waaronder fruitmot, appelbloedluis, perenbladvlo, schildluizen,  bladluizen en bladgalmuggen. Daarom is het belangrijk om zo min mogelijk breedwerkende gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken. Op milieu-effectkaarten en www.milieumeetlat.nl is te zien welke selectieve middelen min of meer veilig zijn voor natuurlijke vijanden.

Oorwormen zijn tijdens hun voortplantingsperiode (holletjes met eieren en jongen in de winter en het voorjaar) kwetsbaar voor bodembewerkingen. Stroken (grasbanen, akkerranden) die onbewerkt blijven helpen om de populaties oorwormen te behouden.

Hagen, houtwallen en bosjes bieden veel schuilplaatsen voor oorwormen om weg te kruipen. In (volks)tuinen worden wel kastjes of bloempotten gevuld met stro aangeboden als schuilplaats voor oorwormen. In boomgaarden zijn proeven gedaan om halfopen zakjes met stro als schuilplaatsen uit te hangen in de vruchtbomen.

Meer informatie