Prooi: bladluizen, schilluizen, spint en meeldauw

 Wetenschappelijke naam: Coccininellidae

 Groep: Natuurlijke vijanden

Parende lieveheersbeestjesLarven zijn bladluispredatoren
Pop van lieveheersbeestjeEitjes afgezet op een blad met bladluizen, het toekomstige voedsel voor de larven

 
veertienstippelig lieveheersbeestje (Propylea quatuordecimpunctata) 

 

Klik op de afbeelding voor een vergroting.

© Copyright PPO, NVWA (PD), DLV, KAD, Landbrugsinfo

Herkenning

De meeste soorten lieveheersbeestjes hebben een felgekleurd en gestippeld dekschild. De soorten zijn niet gemakkelijk van elkaar te onderscheiden.

Naast de kleur van het dekschild is ook het aantal en de vorm en de stippen of vlekken bepalend voor de soort, maar helaas zijn er soorten die zeer variabel zijn in deze kenmerken. De namen van de soorten hebben vaak betrekking op het aantal stippen. Vaak wordt als aanduiding de wetenschappelijke naam met een verkorte schijfwijze gebruikt (bv Coccinella 7-punctata).

Het ei is glad, goudgeel of oranje, cilindrisch en ongeveer 2 mm lang. Ze staan in groepjes van 12-24 dicht tegen elkaar aan. In een koolgewas kunnen de glanzende eieren worden verward met die van het grote koolwitje; de eieren van deze laatste zijn echter geribd.

De soorten die van schildluizen leven leggen hun eieren onder de schildjes van hun prooidieren.  De larve is langwerpig en heeft korte, stijve pootjes. De rug kan afhankelijk van de soort, met wratten of met lange uitsteeksels bezet zijn.  De larven hebben vier ontwikkelingsstadia. Ze zijn licht- of donkergrijs en hebben vaak ook stippen. De poppen zitten niet in een cocon maar zijn met  de punt van het achterlijf aan de ondergrond vastgekleefd. Ze zijn gewoonlijk geelrood. De poppen van de schildluisetende soorten zijn zwart en grotendeels omgeven door de laatste larvale huid. De kevers krijgen nadat ze uit de pop te voorschijn zijn gekomen pas na 2-3 dagen hun definitieve kleur.  

De meeste soorten lieveheersbeestjes leven van bladluizen. Enkele algemene en belangrijke soorten zijn:

  • Tweestippelig lieveheersbeestje, Adalia bipunctata (A. 2-punctata) is 4,5 to 6 mm lang. Rode en zwarte dieren komen het meeste voor, maar ook allerlei overgangsvormen en varianten. Kenmerkend is de volledig zwarte onderkant van deze keversoort. Deze soort wordt regelmatig op fruitbomen gevonden. 
  • Zevenstippelig lieveheersbeestje, Coccinella septempunctata (C. 7-punctata) is een heel bekende soort, die groter is dan de vorige genoemde soorten (5,5 tot 8 mm). Variaties in de kleur komen niet zo vaak voor. Deze kevers komen veel meer voor in de vegetatielaag dicht bij de grond dan in bomen en struiken.
  • Oogvleklieveheersbeestje, Anatis ocellata is 8 tot 9 mm lang en daarmee de grootste lieveheersbeestjessoort in Nederland. Meestal komen op de dekschilden van deze soort 20 bleek omrande zwarte vlekken voor. Zij komt het meest voor in naaldbossen, maar soms ook in ander bomen struiken.
  • Een soort die de laatste jaren veel in het nieuws komt is het Veelkleurig Aziatisch Lieveheersbeestje, Harmonia axyridis. Deze vrij grote soort (6-8 mm) is enkele jaren geleden ingevoerd als biologische bestrijder van bladluizen op laanbomen, maar heeft zich intussen gevestigd en breidt zich over heel Europa uit. Er is zorg dat de agressieve kevers inheemse lieveheersbeestjes zal verdringen. Deze soort heeft een zeer variabele tekening en kleur, van vrijwel geheel oranje tot bijna zwart, maar is herkenbaar aan de zwarte 'M'-vormige tekening op het halsschild en het van achteren geplooide of gedeukte rugschild. De bijna volgroeide larven zijn zeer herkenbaar als een bijna zwarte larve met op de rug fel-oranje vlekken. In de herfst kunnen enorme aantallen volwassen kevers bij elkaar kruipen in schuren, onder daken of in boomholten.
  • Er zijn ook Lieveheersbeestjes die van schildluizen leven, zoals het Viervleklieveheersbeestje, Exochomus quadripustulatus (E. 4-pustulatus) en de soorten Chiloporus bipustulatus (C.2-pustulatus) en C. renipustulatus. Zij leven vooral op door schildluizen aangetaste bomen en struiken. Een hele kleine soort lieveheersbeestje (slechts 1,2 tot 1,5 mm lang) Stethorus puntillum leeft van spintmijten, o.a. in fruitbomen.
  • En er is het Tweeëntwintigstippelig lieveheersbeestje, Thea vigintiduopunctata (T. 22-punctata) dat meeldauwschimmel op allerlei planten en bomen eet. Tweeëntwintigstippelig lieveheersbeestje, Thea 22-punctata is 3 tot 4,5 mm lang. De dekschilden zijn helder geel en hebben 22 stippen, maar dat kunnen er bij bepaalde varianten ook wel minder zijn. Zowel de kevers als de larven eten meeldauw schimmel op allerlei planten en bomen.   
Levenswijze

De volwassen kevers overwinteren onder het bladerdek, achter schors van bomen, in dichte bundels gras of in huizen. In de lente worden de eieren op takken of bladeren gelegd, vaak in de buurt van bladluiskolonies. De eiafzetting vindt vanaf begin mei tot eind juli plaats. Elk wijfje legt ongeveer 800 eieren.

Afhankelijk van het voedselaanbod en het weer duurt de totale ontwikkeling een tot drie maanden. Adalia bipunctata heeft jaarlijks slechts één generatie, de meeste andere soorten hebben er in Midden-Europa twee en in Zuid-Europa drie of vier.

De larven en de kevers zijn zeer vraatzuchtig. Het bekendste Zevenstippelig lieveheersbeestje eet per dag gemiddeld 150 bladluizen, de veel kleinere soort Tweestippelig lieveheersbeestje ongeveer 60. Als de levensduur van de vrouwtjes wordt meegerekend  kan één lieveheersbeestje 4000 bladluizen opeten. De larve van het Zevenstippelig lieveheersbeestje consumeert tijdens zijn ontwikkeling al 800 bladluizen. Andere soorten eten vergelijkbare hoeveelheden.

Toepassing
Het is niet verwonderlijk dat lieveheersbeestjes samen met andere bladluiseters in de meeste jaren massale vermeerdering van bladluizen kunnen voorkomen of tot staan kunnen brengen.         In sommige jaren vindt er een sterke vermeerdering van bladluizen plaats. Dit wordt vaak veroorzaakt door ongunstige weer (m.n. temperatuur) voor natuurlijke vijanden of door een geringe beginpopulatie van bladluizen, waardoor de natuurlijke vijanden weinig voedsel vinden. De bladluispopulatie kan zich ook door een te rijke stikstofbemesting sterk uitbreiden. Wanneer dan met een bladluismiddel wordt gespoten komen de nuttige dieren zo zeer in de minderheid dat de overblijvende bladluizen zich gemakkelijk en massaal kunnen vermeerderen. Mieren kunnen ook voor verstoring zorgen. Zij voeden zich met honingdauw geproduceerd door de bladluizen. Daardoor verzorgen zij eigenlijk de bladluizen en verjagen vrijwel alle bladluisvijanden.

Het is belangrijk om zo min mogelijk breedwerkende gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken. Op milieu-effectkaarten en www.milieumeetlat.nl is te zien welke selectieve middelen min of meer veilig zijn voor natuurlijke vijanden.

Van de 70 inheemse soorten lieveheersbeestjes leven er bijna 50 van bladluizen, 14 van schildluizen en de overige van spint en meeldauw Er zijn ook drie soorten die plantaardig materiaal eten, maar deze soorten zijn vrij zeldzaam.

Een mooie website voor lieveheersbeestjes is: stippen.nl