Gewas: Fagaceae, eik (Quercus-soorten), zelden op kastanje (Castanea sativa) en beuk (Fagus sylvatica).


Wetenschappelijke naam: Microsphaera alphitoides

Groep: Schimmels

 
 
Wit mycelium op het blad  Vooral jonge bladeren worden aangetast
 
 
Aangetaste zaailingEikenmeeldauw op een kwekerij


Klik op de afbeelding voor een vergroting.

© Copyright WUR, NVWA (PD), Delphy, KAD, Landbrugsinfo

Herkenning

Schimmel die een wit pluizig of poederachtig laagje veroorzaakt op bladeren en scheuten. De aantasting kan zich sterk uitbreiden.

De aantasting van de eikenmeeldauwschimmel bevindt zich vooral op de uiteinden van de twijgen op de jonge bladeren. De bladeren zijn zowel aan de boven- als onderzijde met een witte laag bedekt.

Echte meeldauw zorgt voor een forse groeiremming van jonge bomen en bij het afsterven van de topscheut ontstaat er een vervorming van de takdelen. Een lichte aantasting zal niet tot meetbare groeischade leiden. Oudere bomen komen ook een zware aantasting wel te boven, maar wanneer de aantasting jaarlijks terugtreedt, zal de boom in conditie achteruit gaan. De schimmelsporen groeien ook tijdens droge weersomstandigheden door. Jonge bomen kunnen geheel worden aangetast, bij oudere bomen blijft de aantasting meestal beperkt tot de waterloten en Sint-Janslot.

Levenswijze

De schimmel overwintert in bladknoppen van waaruit jonge loten besmet raken. Het hele seizoen vindt nieuwe besmetting plaats door sporen die op het schimmelweefsel worden gevormd.

De schimmel kent twee soorten sporen: de ongeslachtelijke sporen die in de zomermaanden worden gevormd en de geslachtelijke sporendie in het najaar wordne gevormd. De ongeslachtelijke sporen bevatten voldoende vocht om ze te laten kiemen wanneer ze eenmaal op de plantendelen, meestal de bladeren, zijn beland. Ze zijn voor hun kieming dus, in tegenstelling tot veel andere bladschimmels, niet afhankelijk van vocht op de bladeren. Juist bij droge en zonnige weersomstandigheden worden er veel sporen gevormd.

In het najaar ontstaan vruchtlichamen, kleine met het blote oog nauwelijks waarneembare zwarte bolletjes, waarin de geslachtelijke sporen worden gevormd. Deze sporen verspreiden zich in het najaar waar ze de knopschubben van de bomen kunnen infecteren, ter plekke overwinteren en vervolgens de nieuw uitlopende scheut in het voorjaar weer aantasten.

Ook overwinteren er sporen in de vruchtlichamen op het inmiddels afgevallen blad die van daaruit rond mei de bladeren aantasten, te beginnen bij die van het onderste gedeelte van de kroon of het laag op de stam zittende waterlot.

Maatregelen
  • Indien mogelijk aangetaste delen uit de boom snoeien.