Het bodemvoedselweb: hoe werkt het (in hoofdlijn) ?

De bodem wordt vaak voorgesteld in chemische termen, als een geheel van anorganische en organische stoffen (humus) die de voor de plantengroei noodzakelijke elementen binden en afgeven. In werkelijkheid is de bodem voor een belangrijk deel een levend geheel, een complex systeem van een (zeer) groot aantal soorten organismen die elkaar in een dynamisch evenwicht houden. Dat evenwicht is uiteindelijk een zaak van ‘eten en gegeten worden’, niet anders dan het bovengronds voedselweb, de kern van ieder ecosysteem. Vandaar: het bodemvoedselweb.

De vruchtbaarheid (productiviteit) van de bodem wordt voor een groot deel bepaald door de werking van dit bodemvoedselweb. Voor een productieve land- en tuinbouw gaat het erom die werking te optimaliseren voor het productiedoel van het bedrijf, op een manier (zeker in de biologische landbouw) die het bodemvoedselweb ook op langere termijn gezond houdt.


In deze verdieping leren we in hoofdlijn wat het bodemvoedselweb is, hoe het werkt en hoe we die werking kunnen optimaliseren binnen land- en tuinbouwsystemen. Voor verdere verdieping zie de bronnen hieronder.

Problematiek: waarom meer kennis van het bodemvoedselweb nodig ?

In Europa is het gehalte aan organische stof in landbouwgrond, door jarenlang verkeerd bodembeheer, slechts 0,5 – 1%. Idealiter is dit minstens 5%. Onze landbouwgronden zijn daarmee vergelijkbaar met woestijn. In Nederland hebben we 2,2 miljoen hectare landbouwgrond. Het is niet haalbaar het organische stofgehalte van deze oppervlakte te verhogen met alleen compost en oogstresten. Het gebruik van kunstmest en bestrijdingsmiddelen vermindert de werking van het bodemvoedselweb. Kunstmest doodt of verdringt onderdelen van het bodemleven, waardoor de minerale voedingsstoffen niet kunnen worden opgeslagen in, en weer gestaag worden afgegeven door, de bodembewonende organismen. Hierdoor moeten er steeds nieuwe voedingsstoffen worden toegevoegd en is er veel verlies door af- en uitspoeling. Bestrijdingsmiddelen hebben vaak onbedoelde en niet-onderzochte effecten op de samenstelling van het bodemleven; dit is recent b.v. aangetoond voor de (afbraakproducten van) glyfosaat, dat bodemschimmels aantast. Door de afwezigheid van beschermend bodemleven raken planten bovendien vatbaar voor ziekten (die weer bestreden moeten worden) en verslechtert de structuur van de bodem (wat weer moet worden verholpen). Kunstmest verstoort tot slot de pH van de bodem, wat weer moet worden bijgesteld om planten te kunnen laten groeien.

Er is een duurzaam alternatief dat al deze problemen voorkomt, en dat bovendien – met minder inspanning –  voldoende èn gezonder voedsel kan opleveren. Dit alternatief houdt rekening met het feit dat elke plant prima groeit zolang het op de juiste plek staat, en dat elk beestje en elke schimmel een nuttige functie uitoefent in een ecosysteem. Oftewel: landbouwgrond als een natuurlijk ecosysteem met een gesloten kringloop, waarvan de elementen in evenwicht kunnen en moeten worden gehouden. Het bodemvoedselweb vormt hiervan de kern.

Bodemtextuur en bodemstructuur

Belangrijke bodembegrippen zijn bodemtextuur en bodemstructuur. Textuur betreft de grondsoort (zand, leem, klei of een organische bodem) en heeft te maken met de aard en grootte van de bodemdeeltjes; structuur betreft de verhouding tussen lucht, water, mineralen en organisch materiaal. Structuur betreft de samenhang tussen die bodemdeeltjes en gaat om zaken als dichtheid, doorlatendheid, berijdbaarheid e.d..

Een open structuur is van belang. Bij een slechte bodemstructuur (bijvoorbeeld door gebruik van zware machines of door zware regen op een onbedekte grond) treden verschillende problemen op. Water kan niet infiltreren (wegzakken) en blijft staan. Er kan geen zuurstofverversing optreden waardoor de bodem ‘anaeroob’ wordt en nuttige micro-organismen sterven. Bij een slechte bodemstructuur zijn schadelijke organismen (zoals de worteletende aaltjes ) bovendien in het voordeel ten opzichte van hun natuurlijke bestrijders (zoals roofaaltjes), omdat de natuurlijke bestrijders groter zijn en een meer poreuze bodem nodig hebben om zich doorheen te kunnen bewegen.

Het ontstaan van een goede kruimelstructuur gebeurt als volgt: op de aarde blijft water liggen, waarin algen gaan groeien. Zij voegen biomassa toe waardoor er voedsel ontstaat voor bacteriën. Bacteriën produceren een slijmlaag (biofilm) waarmee ze zich aan de bodemdeeltjes hechten en waarmee de bodemdeeltjes aan elkaar hechten. Planten gaan biomassa produceren, waarmee ze het bodemvoedselweb van energie voorzien. Schimmeldraden kunnen dan tussen de bodemdeeltjes groeien en rijgen deze aan elkaar tot kruimels. Vervolgens bewegen wormen zich door de bodem en produceren mineralen en organische stof (humus). Samen met gravers zoals mollen vormen zij gangenstelsels waardoor lucht en water de bodem kunnen binnenkomen en weer verlaten.

Werking bodemvoedselweb in de kern

Zoals bovenstaande illustreert is het een eten en gegeten worden in de bodem. Het schema van wie wie eet in de bodem, heet het bodemvoedselweb. Dit is een complex geheel van interacties, relaties en chemische en fysische processen. Dit geheel van interacties begint bij de plant, die  biomassa  vormt door middel van fotosynthese. Een deel van de gevormde biomassa scheidt de plant via de wortels uit (exudaten) in de vorm van koolhydraten en eiwitten. Hiermee voeden bacteriën en schimmels zich. Op hun beurt worden zij gegeten door grotere organismen zoals nematoden (aaltjes) en protozoa. Aaltjes hebben niet veel stikstof nodig en scheiden het overtollige weer uit, hetgeen de plant kan opnemen en gebruiken voor zijn groei. Protozoa zijn eencellige dieren die voornamelijk bacteriën eten. Ook zij scheiden stikstof uit.

Planten oefenen invloed uit op de aantallen en soorten schimmels en bacteriën in de grond, afhankelijk van welke voedingsstoffen de plant nodig heeft en welke exudaten hij produceert.
De voedingsstoffen vormen een gesloten kringloop. Elk organisme sterft, wordt gegeten door een ander organisme, of scheidt mest uit. Al die biomassa wordt (zolang zij binnen het ecosysteem blijft) in een aantal stappen afgebroken door een reeks organismen (van groot naar klein). De voedingsstoffen die daarbij vrijkomen worden opgeslagen in de lichamen van bacteriën en schimmels (‘immobilisatie’). Zodra zij weer worden opgegeten of doodgaan, komen de voedingsstoffen die zij bevatten in voor de plant opneembare vorm vrij (‘mineralisatie’).
Terwijl een groot deel van de voedingsstoffen in kunstmest verdwijnt in het grondwater, blijven de geïmmobiliseerde en gemineraliseerde voedingsstoffen dus aanwezig in de bodem en beschikbaar voor de plant.

In een gezond bodemvoedselweb zijn ook ziekteverwekkende schimmels en bacteriën aanwezig, maar zij worden in bedwang gehouden door een grote diversiteit aan ‘goede’ bodemorganismen doordat ze met elkaar concurreren om voedingsstoffen, lucht, water en ruimte. Bovendien vormen schimmels een net rondom plantenwortels waardoor de plant beschermd wordt tegen pathogene schimmels en bacteriën. Ook bacterieel slijm vangt pathogenen. Sommige schimmels en bacteriën produceren stoffen zoals vitaminen en antibiotica, die de plant gezond houden. Elk lid van het bodemvoedselweb heeft een specifieke rol. Wanneer één element van het voedselweb wordt uitgeschakeld, kan dit drastische gevolgen hebben.

Mobilisatie van N door bacteriën en schimmels

Het beschikbaar komen van stikstof voor de plant verloopt verschillend in bodems die vooral door de werking van bacteriën worden bepaald (bacteriedominant) dan wel door de werking van schimmels (schimmeldominant). Dit komt onder meer doordat de werking van bacteriën het pH verhoogt.

Wanneer schimmels en bacteriën opgegeten worden, wordt overtollig stikstof uitgescheiden in de vorm van ammonium (NH4). In een bacteriedominante grond (met in de regel een hoger pH door het geproduceerde bacterieel slijm) wordt dit door nitrificerende bacteriën omgezet in nitriet (NO2) en nitraat (NO3), een proces dat nitrificatie heet. In schimmeldominante bodems gebeurt dit veel minder, doordat de door schimmels uitgescheiden zuren de pH verlagen waardoor de nitrificerende bacteriën minder actief worden.

Plantensoorten verschillen  in hun voorkeur voor de opname van stikstof in de vorm van nitraat of als ammonium. Soorten die vooral NO3 goed opnemen groeien bij voorkeur op een bacteriedominante bodem, soorten die vooral NH4 goed opnemen op een schimmeldominante bodem.

Welke planten welke grond nodig hebben is gemakkelijk te onthouden door de natuurlijke successie in het achterhoofd te houden: op verstoorde of afgebrande (bos)grond zullen eerst de eenjarige pioniersplanten groeien. Naarmate de tijd verstrijkt wordt de grond geschikt voor grotere planten, die steeds meer moeilijk verteerbare biomassa produceren. Deze meer houtige biomassa kan wel door schimmels maar niet door bacteriën worden verteerd, waardoor de schimmels in verhouding toenemen. Naarmate de successie verder verstrijkt kunnen er steeds meer soorten bomen gedijen in de dan schimmeldominant geworden bodem.

Bosgronden zijn dus meestal schimmeldominant, verstoorde bodems bacteriedominant. Meerjarigen, dus vooral bomen en struiken, hebben dan ook meestal een voorkeur voor schimmeldominante bodems; terwijl één- en tweejarigen (waaronder dus de meeste landbouwgewassen en  groenten) bacteriedominante bodems prefereren. Het naast elkaar plaatsen van één- en meerjarigen is dan ook niet verstandig vanwege de andere behoeften in pH en voeding.

Er is dus niet één goede bodem; een goede bodem is een bodem met een bodemvoedselweb dat past bij de planten die je erin wilt laten groeien. Belangrijk is wel: bacteriedominante bodems blijven alleen in stand bij een bepaalde mate van bodembewerking; een niet bewerkte bodem ontwikkelt zich door natuurlijke successie uiteindelijk naar schimmeldominant.

Permanent grasland heeft ook een licht schimmeldominante bodem, al is die dominantie lang niet zo sterk als in bosgronden (daar kan de totale biomassa van de schimmels wel tot 1000 keer hoger zijn dan die van de bacteriën!). Gras gedijt dus het beste op een dergelijke licht schimmeldominante bodem. De aanwezigheid van paddenstoelen is een goed teken.

Minerale N (kunstmest) voorziet de plant direct (zonder eerst te worden geïmmobiliseerd) van stikstof, meestal in de vorm van nitraten. In een bacteriedominante bodem verdringt minerale N de werking van de stikstofbindende bacteriën en tast, omdat kunstmest zich als een zout gedraagt, delen van het bodemvoedselweb direct aan. Planten die de voorkeur hebben voor een schimmeldominante bodem (met name bomen, vaste planten en struiken) zullen niet gedijen op nitraat-leverende stikstofkunstmest omdat dit ten koste gaat van de symbiose met schimmels: een boom gaat minder koolstof uitscheiden, waardoor de schimmel waar hij mee samenleeft een energiegebrek krijgt. Niet alleen krijgt de boom dan minder voedingsstoffen en water van de schimmel, de schimmel kan zelfs gaan parasiteren op de boom.


Waaruit bestaat het bodemvoedselweb ?

De belangrijkste leden van het bodemvoedselweb:

Bacteriën

Bacteriën groeien het beste op materiaal dat suikers bevat. Die zijn voor bacteriën makkelijker afbreekbaar dan complexere koolstofverbindingen in oudere plantenresten en hout (lignine); die worden vooral door schimmels afgebroken. Bacteriën doen hun werk dus vooral op wat de ‘versnipperaars’ in de bodem achterlaten en op de uitscheidingen van andere organismen. Ze hebben relatief veel vocht nodig en nemen voedingsstoffen uit hun directe omgeving op in hun lichaam, waarna de voedingsstoffen organisch gebonden zijn.
Actinomyceten zijn bijzondere bacteriën. Ze zijn verantwoordelijk voor de geur van bosgrond. Ze maken draden waardoor ze op schimmels lijken. Ze zijn erg goed in het afbreken van cellulose (in de celwanden van planten) en chitine (in de celwanden van schimmels en het exoskelet van geleedpotigen). Lignine (onder andere in houtschors) is wel een brug te ver voor deze bacteriën; de vertering hiervan wordt overgelaten aan schimmels.
Bacteriën spelen een rol in de afbraak van vervuiling en gifstoffen en kunnen antibiotica produceren die de plant ten goede komen.

Schimmels

Saprotrofe schimmels breken vooral houtig materiaal (weinig N, veel lignine e.d.) af. Met hun schimmeldraden dringen ze de bodem binnen en helpen zo mee om de structuur te verbeteren. In niet verstoorde grond kunnen schimmels enorme netwerken van schimmeldraden vormen. In de land- en tuinbouw wordt grond altijd verstoord door grondbewerking (de grond blijft daardoor bacterie-dominant), maar door minder intensieve, meer oppervlakkige en niet kerende grondbewerking krijgen schimmels wel meer kans.

Schimmels vormen belangrijke wederzijdse relaties met planten, waaronder de symbiotische relaties tussen plantenwortels en (mycorrhizale) schimmels. Ongeveer 85 tot 95% van de plantensoorten heeft mycorrhizae. Zonder deze schimmels krijgen ze niet de juiste en niet voldoende voedingsstoffen binnen om maximaal te presteren. Mycorrhizale schimmels vergroten de stikstof- en fosforopname door de plant. Tevens produceren ze vitamines, enzymen en hormonen. De relatie is wederzijds: de plant voedt de mycorrhizale schimmels met exudaten, uitgescheiden suikers. Een opvallende uitzondering zijn de koolsoorten (Brassica’s), die geen relatie met myccorrhizale schimmels aangaan.

Ectomycorrhizale schimmels groeien rondom de wortels; endomycorrhizale schimmels dringen de wortel van de plant binnen en groeien vandaaruit ook weer naar buiten. Deze laatste groep wordt geprefereerd door de meeste groenten, één- en meerjarigen, struiken, grassen en zachthoutbomen (dus door de soorten die een voorkeur hebben voor bacteriedominante bodems). Mycorrhizale schimmels vergroten het oppervlak van de wortels met een factor 700 tot 1000. Vooral in onverstoorde (schimmeldominante) bodems kunnen mycorrhizale schimmels netwerken van schimmeldraden over heel grote oppervlakten vormen. We zien die soms in de vorm van paddestoelen! Door middel van deze mycorrhizale netwerken worden water en voedingsstoffen over grote afstand door de bodem naar de wortels van verschillende planten getransporteerd.

Fungiciden, maar ook (afbraakproducten van) andere pesticiden en herbiciden, N-kunstmest en bodembewerking verminderen of vernietigen schimmels, ook de mycorrhizale.

De mycorrhizal schimmel (witte draden) verlengt het wortelsysteem (bruin) van de plant en versterkt de capaciteit voor opname van voedingsstoffen (foto door: Rachael Kowaleski)


Protozoa

Protozoa zijn eencellige organismen die hun voedingsstoffen halen uit het eten van (voornamelijk) bacteriën. Ze komen af op plekken waar veel bacteriën zijn. Als ze hiervan genoeg gegeten hebben wordt de bacteriepopulatie dusdanig klein dat ze elkaar gaan opeten, waarna de bacteriepopulatie zich weer kan herstellen en het bodemvoedselweb weer in evenwicht komt. Protozoa houden eveneens de populaties van nematoden in balans.

80% van de stikstof die een plant nodig heeft is afkomstig van de uitscheiding van bacterie- en schimmeletende protozoa. Ook wormen, microgeleedpotigen en bepaalde nematoden zijn voor hun voedsel afhankelijk van gezonde populaties protozoa.

Nematoden (aaltjes)

Dit zijn blinde rondwormen die, samen met protozoa, voedingsstoffen die zitten opgeslagen in bacteriën en schimmels mineraliseren (mobilisatie).
Roofnematoden eten verschillende leden van het bodemvoedselweb en houden de populaties van schadelijke nematoden binnen de perken.

Bacteriën kunnen zich hechten aan de huid van nematoden waardoor zij getransporteerd kunnen worden naar gebieden ver van hun oorsprong.
Nematoden mineraliseren veel stikstof maar hebben door hun afmeting poreuze bodems nodig om zich in voort te bewegen. Een goede structuur is dus belangrijk voor een gezonde populatie aaltjes.

Geleedpotigen

Er zijn zeer veel verschillende geleedpotigen. Hun belangrijkste rol is het versnipperen van organisch materiaal, waardoor de oppervlakte vergroot en de activiteit van bacteriën en schimmels kan toenemen. Twee belangrijke soorten geleedpotigen zijn springstaarten en mijten; zij zijn verantwoordelijk voor het recyclen van 30% van de bladeren en houtige resten in een bosbodem. Bij te weinig dood organisch materiaal zullen geleedpotigen overstappen op levend organisch materiaal. Enkele geleedpotigen prefereren sowieso levende wortels, zoals de veenmol en maden van de uienvlieg.

Wormen

Wormen eten voornamelijk versnipperd organisch materiaal en bacteriën en zitten daarom vooral in bacteriedominante bodems. Vooral de zogenaamde pendelaars (wormen die verticale gangen maken) versnipperen ook zelf grof organisch materiaal zoals dode bladeren. Ze vermalen dit organisch voedsel in hun spiermaag, waarna bacteriën in hun darmen het voedsel verteren. De voedingsstoffen die deze bacteriën hebben vrijgemaakt, worden opgenomen door de worm. Overtollig materiaal wordt uitgescheiden.
Wormenpoep bevat 50% meer organische stof dan grond die niet door een worm is heengegaan. De CEC (kationenomwisselingscapaciteit) neemt toe waardoor andere voedingsstoffen zich kunnen binden aan de organische stof. De darmbacteriën produceren bovendien enzymen die voedingsstoffen beschikbaar maken voor planten en door planten gebruikt kunnen worden om zich tegen insecten- en slakkenvraat te beschermen.
Wormen graven gangen waardoor water en lucht kunnen stromen, waarin water kan worden opgeslagen en waardoor plantenwortels kunnen groeien. Sommige soorten (de pendelaars) maken verticale gangen tot diep in de grond. Zij hebben een strooisellaag nodig en helpen om organisch materiaal van de oppervlakte in de bodem te brengen.
Bodembewerking vernietigt wormengangen en beschadigt de wormen. Kunstmest verjaagt wormen door zijn werking als zout.

Slakken

Slakken zitten voornamelijk ondergronds, versnipperen organisch materiaal met hun raspvormige tanden en maken dit daardoor beter beschikbaar voor bacteriën en schimmels. Ze maken gangen in de grond die het voor lucht, water en wortels makkelijker maken de bodem binnen te dringen. Ze vormen voedsel voor andere leden van het bodemvoedselweb. Binnen een gezond bodemvoedselweb worden hun aantallen binnen de perken gehouden.

Het bodemvoedselweb herstellen en onderhouden

Het bodemvoedselweb is te herstellen (en onderhouden) met behulp van 4 strategiën, die los van elkaar of gecombineerd kunnen worden toegepast:

1. (De juiste soort) compost gebruiken

Schimmeldominante compost (die je idealiter gebruikt voor bomen, struiken en meerjarigen) verkrijg je door meer ‘bruine’ materialen toe te voegen. Bacteriedominante compost (voor akker- en tuinbouw, siergewassen en gazons) door meer ‘groene’ materialen toe te voegen. Standaard bij het opzetten van de composthoop is een koolstof-stikstofverhouding (C/N) van  25:1 tot 30:1. Dit komt ongeveer neer op een bruin-groenverhouding van 3:1. Tijdens het composteringsproces zijn de juiste vochtigheidsgraad, voldoende zuurstof en het juiste temperatuurverloop van belang om kwalitatief goede compost te krijgen. In anaerobe omstandigheden worden stoffen geproduceerd die schadelijk zijn voor planten, zoals alcoholen. Goede (rijpe) compost ruikt schoon, naar bosgrond.

Dierlijke mest, vaak onmisbaar in de (biologische) land- en tuinbouw, werkt voor de bodem het beste in de vorm van ruige mest, met stro (stalmest) of ander koolstofrijk plantaardig materiaal. Ook hier is de C/N verhouding dus van belang. Het beste werkt geheel of gedeeltelijk gecomposteerde mest. In de praktijk worden ook drijfmest, digestaat en dergelijke gebruikt, met een veel lagere C/N verhouding. Die hebben wel een heel directe (drijvende) werking, maar ze voegen weinig tot niets toe aan de opbouw en de werking van de bodem; bij teveel gebruik zijn ze schadelijk.

(toevoeging UT)

2. Op de juiste manier mulchen met de juiste soort organisch materiaal

Met ‘mulch’ wordt plantaardig materiaal of mest bedoeld dat/die in een laag op de grond wordt aangebracht of heel oppervlakkig wordt ingewerkt. Over het algemeen geldt: ‘bruine’ mulch (overwegend C) voedt schimmels; ‘groene’ mulch (lagere C/N verhouding) voedt bacteriën.
Maar met hetzelfde materiaal kun je zowel bacterie- als schimmeldominantie in de hand werken, afhankelijk van of je de mulch al dan niet onderwerkt, of de mulch al dan niet nat is en of de mulch bestaat uit grotere of kleinere deeltjes.
Mulch die op de grond blijft liggen wordt voornamelijk verteerd door schimmels, doordat schimmels makkelijker vanuit de bodem in de mulch kunnen komen. Mulch die (oppervlakkig) wordt ondergewerkt voedt vooral bacteriën.
Met fijnversnipperde, natte mulch versnel je kolonisatie door bacteriën; met drogere, grovere mulch worden vooral schimmels gevoed.

Mulch niet meer dan 5 à 7,5 cm zodat er voldoende lucht en water bij de bodem kan komen. Mulch niet tegen stengels of stammen; die kunnen daardoor gaan ontbinden.
Dennennaalden bevatten, net als houtsnippers van ceder, terpenen die voor veel planten giftig zijn, en moeten daarom eerst rijpen voordat ze als mulch kunnen dienen.

Het best is om te mulchen in combinatie met het aanbrengen van compost. Breng eerst compost aan, dan mulch. De compost zorgt voor de juiste organismen in de mulch; de mulch beschermt de organismen in de compost tegen (voor hen dodelijke) UV-stralen en uitdroging. Mulch verhindert bovendien dat onkruid opkomt: de voedingsstoffen die de onkruiden nodig hebben, zijn in gebruik door de organismen die tussen de bodem en de mulch leven. Daarnaast krijgt het onkruid te weinig licht en is er een fysieke barrière die de groei belemmert.

3. Actief beluchte compostthee (ABCT) gebruiken

ABCT is compost waarvan de voedingsstoffen zijn opgelost in water. Door middel van een pomp wordt aan dit water zuurstof toegevoegd, waardoor de compostorganismen in leven kunnen blijven.

ABCT werkt vooral doordat (sporen van) schimmels, bacteriën en andere micro-organismen heel direct in de bodem worden gebracht. ABCT wordt dus vooral gebruikt om een biologisch nog niet actieve bodem ‘op te peppen’, dus om het ontstaan van een gezond en actief bodemvoedselweb te versnellen. Het voordeel van ABCT ten opzichte van mulch en compost is dat het direct de plantenwortels kan bereiken. Ook kan het op bladeren worden gespoten (niet in de zon!) waar de compostmicroben de concurrentie kunnen aangaan met ziekteverwekkers op de bladeren.
ABCT is niet hetzelfde als (anaërobe) compostextracten, waarin veel van de nuttige organismen teloor zijn gegaan en er zelfs anaerobe ziekteverwekkers en schadelijke alcoholen zijn ontstaan.

4. Eventueel: toevoegen van mycorrhizale schimmels

Mycorrhizale netwerken raken beschadigd door bodembewerking en compactering van de bodem. Herstel van beschadigde netwerken gaat langzaam. Voor het injecteren van mycorrhizale schimmels zijn steeds meer producten in de handel, maar die zijn niet in elke situatie geschikt. Wel kun je standaard mycorrhizale schimmels toevoegen bij het zaaien of verspenen en verpotten in potgrond (die meestal vrij is van mycorrhizale schimmelsporen) of in combinatie met grondbewerking.


Tekst Marc Siepman, bewerkt door Udo Teunis






Verdieping

De uitleg over het bodemvoedselweb is ontleend aan het boek Het bodemvoedselweb van Marc Siepman. Dit boek is niet digitaal beschikbaar, maar kan wel in de bibliotheek worden geleend. Het is ook hier te bestellen.

Marc Siepman heeft het denken vanuit en werken met het bodemvoedsleweb de naam 'humisme' gegeven. Volg hier gratis de online cursus over humisme, maak een gratis account aan.

Het belangrijkste wordt ook goed uitgelegd in de onderstaande video

Interview met prof. dr. Lijbert Brussaard over de biologie van de bodem: De bodem onder ons bestaan, artikel Ekoland, februari 2017

Heel veel info over opbouw en beheer van organische stof in de bodem vind je in de brochure Organische stof: breng leven in de bodem (uitgave van Iperen B.V.). Je kunt deze hier bestellen. Uit deze brochure komt onderstaande tabel; die geeft een beeld van de onvoorstelbare hoeveelheden (micro-)organismen in de bodem en hun gewicht: