Andere consumentenvraag

Een belangrijke aanjager van de groei is uiteraard dat steeds meer mensen kiezen voor biologische producten. Op dit moment groeit de vraag naar biologisch harder dan het aanbod (zie verder hoofdstuk 6). Wat bepaalt die veranderende keuze van consumenten, en welke veranderingen in de consumentenkeuze zijn nog te verwachten ? Een paar hoofdlijnen:

  • De voornaamste concurrent van biologisch voedsel is het goedkope niet-biologische aanbod. Het hele voedselsysteem in Nederland (productie, verwerking, distributie/retail) is uiterst efficiënt en open voor de wereldmarkt. Dat betekent relatief lage prijzen en scherpe concurrentie tussen een beperkt aantal supermarktketens. Veel voedsel wordt via ‘acties’ aangeboden. Tegen dat kiloknaller-geweld is het moeilijk concurreren.
  • Er is een sterke opkomst van allerlei keurmerken die gaan over één of enkele aspecten van ‘duurzaam’ en ‘sociaal’. Denk aan het Beter leven - keurmerk, Fair Trade (eerder bekend als Max Havelaar) en Planet Proof (eerder bekend als Milieukeur). Nederland kent erg veel van dat soort keurmerken (meer dan 100) en hun aantal groet alleen maar. Veel consumenten zien door de bomen het bos niet meer. Het biologisch keurmerk is in dat geheel niet het meest herkenbare (Beter leven en Fair Trade scoren het hoogst -cijfers 2017-). Biologisch is, zeker als het om de primaire productie gaat, wel het meest complete, en omvat veel van waar andere keurmerken over gaan (zo zijn biologisch vlees en eieren automatisch ook drie sterren Beter Leven), maar dat is voor consumenten minder zichtbaar. Zij zien wel de hogere prijs van biologisch (als ‘totaalpakket’) en de niet of relatief minder hoge prijs van producten met andere keurmerken.
  • Evengoed kiezen wel steeds meer mensen voor ‘duurzaam’. De totale omzet van producten met een duurzaamheidskeurmerk groeide in 2016 met 26%, die van biologisch in dat jaar met 8%; in de eerste helft van 2019 was de totale groei 28% (terwijl de totale markt slechts met 4% groeide) en van biologisch 8% (cijfers 2019 IRI Netherlands). Biologisch was in 2016 nog wel het grootste onder deze keurmerken, maar andere (met name Beter Leven)groeiden snel, en in 2019 is Beter leven (in % omzet) het grootst. Met name voor de productgroepen vis, eieren, varkensvlees en vleeswaren wordt een keurmerk standaard. Biologisch zal zich daarin moeten blijven onderscheiden als ‘totaal-keurmerk’.
  • Dat groei - potentieel voor biologisch is niet gelijk verdeeld over de bevolking. In een recente studie (Motivaction, 2017) worden verschillende groepen onderscheiden. Er is een kopgroep van zo’n 11% (jong - stedelijk) die al overwegend ‘duurzaam’ koopt. Er is een groep ‘welwillenden’, zo’n 15% (hoger opgeleid, hoger inkomen, ook ouderen) die wel nadenken over duurzame keuzes, maar die nog niet altijd maken. Een grote groep ‘twijfelaars’ (35%) denkt er wel eens over maar doet er niet veel mee. Zo’n 29% is ‘onbewust’(veel middelbaar opgeleid, niet-stedelijk): niet bezig met duurzame keuzes, vaak ongezond voedingspatroon. 10% (vaak lager opgeleide mannen) is sceptisch en wijst duurzame keuzes botweg af. Groei van biologisch op korte termijn lijkt vooral mogelijk binnen de ‘koplopers’en de ‘welwillenden’, samen zo’n 25% van de bevolking. Uiteraard is dat geen gegeven voor altijd: veel hangt af van de prijsontwikkeling en positionering van biologisch in de nabije toekomst.
  • Dat groeipotentieel komt overeen met de schatting dat zo’n 25% van de bevolking ‘wel eens’ tot ‘vaak’ iets biologisch koopt. Echter, zelfs de kopgroep van deze biologische kopers koopt niet alles biologisch, en de meesten (90%) af en toe of met enige regelmaat. Er is bijna altijd concurrentie met ‘gangbaar’ en met andere keurmerken. Het totale marktaandeel van biologische producten (3,2% in 2017) is de optelsom van deze af-en-toe tot vaak - keuzes.
  • Waarom kopen mensen een biologisch product, en waarom zouden ze dat vaker doen ? Er zijn ‘ik-betrokken’ motieven (beter voor de gezondheid, smakelijker e.d.) en ‘ander/wereld-betrokken’ motieven (dierenleed/dierenwelzijn, duurzaamheid, natuur e.d., sociale rechtvaardigheid). Volgens het onderzoek van Motivaction (zie hierboven) geven alleen in de koplopergroep wereld-betrokken motieven (vooral natuur, dierenwelzijn en milieu) de doorslag. In de groep ‘welwillenden’ scoort gezondheid het hoogst maar spelen de wereld-betrokken motieven ook hoog. De twijfelaars herkennen dezelfde motieven, maar laten zich er minder door leiden, wantrouwen ook vaker informatie over duurzaamheid en de keurmerken. De ‘onbewusten’ zijn er vooral niet mee bezig, en hechten ook sterk aan wat ze gewend zijn. De sceptici koesteren het meeste wantrouwen, hechten aan traditie en laten zich vooral door de prijs leiden. Maar: in alle groepen speelt prijs een rol in de afwegingen die mensen uiteindelijk maken.

Het beeld dat hieruit naar voren komt is minder somber dan het op het eerste gezicht lijkt. De totale omzet van biologische voedingsmiddelen (retail),  4,7% van het totaal (2018), groeit harder (groei 8,4% in 2018) dan de totale omzet van voedingsmiddelen . De groei van de productie houdt deze met moeite bij. Er is nog veel meer groei mogelijk als biologisch duidelijk weet te maken dat het in feite heel veel van de ‘single issue’ keurmerken omvat, en als het prijsverschil met ‘gangbaar’ minder wordt. Dat prijsverschil kan minder door beter verrekenen van externe effecten in de prijs (True Pricing, zie bij Billijkheid als principe, 1.2), maar ook door efficiënte productie en een goed geprijsd pakket basisproducten. Daarover gaat het in deze wiki.

Andere relaties producent - consument/burger

Mensen kiezen niet alleen voor andere producten maar ook voor een andere relatie met het product en met de producent: meer binnen een herkenbare schaal, binnen herkenbare relaties, met meer transparantie over productie en verwerking. Al in de jaren ’70 werd het gebruikelijk om de naam van de boer of tuinder te vermelden bij het product in de bio-winkel; dat was toen, en is nog, in de gangbare verwerking en handel ondenkbaar (behalve voor zogenaamde ‘ambachtelijke’ niche-producten). Er ontstaat zo een relatie tussen producent en consument. Veel biologische bedrijven doen ook mee aan open dagen of halen op een andere manier burgers/consumenten naar hun bedrijf.

Juist in de biologische sector wordt geëxperimenteerd met nieuwe bedrijfsvormen, met meer en andere betrokkenheid van de consument/burger. Een voorbeeld zijn de CSA-bedrijven (Consumer Supported Agriculture), bedrijven die een vaste relatie aangaan met een kring consumenten, of zelfs een vorm van mede-eigenaarschap kennen. Andere bedrijven bieden zelf voedselpakketten aan en distribueren deze zelf, runnen een eigen bedrijfswinkel of bieden naast het primaire bedrijf andere producten en diensten aan (bijvoorbeeld kinderopslag, recreatie) en baseren daar een deel van hun verdienmodel op (multifunctionele landbouw). Er zijn zeker ook gangbare bedrijven die dit oppakken, vaak ook uit economische noodzaak (noodzaak van neveninkomsten), maar juist voor biologische boeren zijn openheid (‘het kunnen uitleggen’) en korte lijnen met de klant van groot belang.

Biologisch en duurzaamheid: is biologisch altijd beter?

Bezorgdheid over het milieu is dus al vanaf de jaren '60 een aanjager van biologische landbouw. In recenter jaren denken we meer in termen van duurzaamheid: er zijn terechte twijfels bij de duurzaamheid, de 'volhoudbaarheid', van het gangbare landbouw-systeem. Biologische landbouw wil een duurzamer alternatief bieden. Zowel producenten als consumenten kiezen daarvoor.  Kiezen voor duurzaamheid is dus een factor in de groei, maar ook in de ontwikkelrichting, van de biologische landbouw. 

Of kiezen voor duurzaamheid ook in de nabije toekomst een aanjager blijft van de groei van biologisch hangt er ook vanaf of de biologische landbouw zijn duurzaamheidsclaims kan waarmaken. Het is daarom belangrijk om te weten wat biologische landbouw 'presteert' voor duurzaamheid. Is biologische landbouw altijd duurzamer en beter voor het milieu? Veel voorstanders nemen dat als vanzelfsprekend aan, anderen bestrijden dat. Er is veel onderzoek gedaan naar prestaties van de biologische landbouw op aspecten van milieu en duurzaamheid en op economische aspecten.  Een globaal beeld uit dat onderzoek is:

  • Biologische landbouw scoort beter tot veel beter op milieu: veel minder emissies en residuen van bestrijdingsmiddelen, minder uitspoeling en emissie van nitraat en ammoniak en minder bijdrage aan de eutrofiëring van oppervlaktewater.
  • Biologische landbouw scoort ook beter tot veel beter op behoud en opbouw van bodemvruchtbaarheid en op gebruik van het schaarse mineraal fosfaat. Meer algemeen: biologische landbouw scoort beter als kringloop-landbouw.
  • Biologische landbouw levert meer biodiversiteit op en scoort veel beter op dierenwelzijn en minder antibioticagebruik (preventie van resistenties).
  • De arbeidsbehoefte is veelal groter. Dat kan negatief worden geduid (hogere kosten) en positief (werkgelegenheid). Het verschil met gangbaar is overigens beperkt door de hoge mechanisatiegraad en de grote efficiëntie van veel bio-bedrijven.
  • Biologische landbouw heeft wel een iets lagere opbrengst per hectare. Het beeld is wisselend per productgroep, klimaatzone en economische ontwikkeling, maar in heel grove lijnen is het beeld: 20% minder, dus 20% meer grondgebruik voor dezelfde hoeveelheid product.
  • In termen van klimaat, met name uitstoot van broeikasgassen, is het beeld wisselend. Dat komt vooral omdat biologische landbouw meer grond nodig heeft voor dezelfde hoeveelheid product. De balans is vaak lastig. Biologische landbouw gebruikt geen stikstofkunstmest (de productie hiervan kost veel CO2-emissie), maar door het grotere landgebruik is de bijdrage aan de uitstoot van broeikasgassen neutraal, en in sommige berekeningen negatief. Daarin is de potentie van meer koolstofbinding (Carbon Capture, ofwel onttrekking van CO2 uit de lucht) door opbouw van organische stof in de bodem niet altijd meegenomen. Biologische landbouw kan meer koolstof in de bodem binden (opbouw van bodemvruchtbaarheid, vooral humus) en dus in potentie een bijdrage leveren aan de onttrekking van CO2 aan de lucht, met een positieve balans als gevolg.

Vaak wordt als maat voor duurzaamheid alleen gekeken naar de klimaatproblematiek: het gaat dan alleen om de netto bijdrage aan de uitstoot van broeikasgassen. Als biologische landbouw, door de lagere productie per hectare, ertoe zou leiden dat meer bossen worden gekapt en natuurgronden ontgonnen voor cultuurgrond (met als gevolg extra CO2-emissie, maar ook minder biodiversiteit) dan zou de bijdrage negatief zijn. In alle visies op biologische landbouw als alternatief op wereldschaal (zie hieronder) wordt er dus vanuit gegaan dat dat niet mag gebeuren: we moeten het doen met het huidige areaal. Op de ‘klimaat-balans’ staat tegenover meer landgebruik: geen stikstofkunstmest (in CO2-emissie: de productie van één kg. Kalkammonsalpeter = de verbranding van één liter diesel) en de potentie van meer koolstofbinding in de bodem. Dat bepaalt ook meteen de uitdagingen voor de bio-landbouw: een optimale productie per hectare (‘ecologische intensivering’), optimalisatie van stikstofbinding uit natuurlijke bronnen, en hoge inzet op opbouw en behoud van bodemvruchtbaarheid, dus van koolstofbinding in de bodem.

Duurzaamheid is echter breder dan broeikasgassen. Vooral in termen van behoud en opbouw van bodemvruchtbaarheid, het ontwikkelen van kringlooplandbouw en behoud en versterking van biodiversiteit is de bijdrage aan duurzaamheid positief. De weerbaarheid van een landbouwsysteem met een goede, levende, bodem en een hogere biodiversiteit is groter; het past zich makkelijker aan aan veranderende omstandigheden en grilliger weer. De afhankelijkheid van mineraal fosfaat, op den duur een schaarse grondstof, neemt af.


Biologisch en (wereld)voedselvoorziening

Net zo als over duurzaamheid maken mensen zich zorgen over de vraag of er in de nabije en verdere toekomst nog wel voldoende voedsel zal zijn, onder druk van klimaatverandering, toenemende milieudruk en ook de groei van de wereldbevolking. Ook die zorg kan leiden tot de keuze voor biologische landbouw, terwijl anderen juist beweren dat biologische landbouw op termijn niet de groeiende wereldbevolking kan voeden. Voor het groeipotentieel van de biologische landbouw is duidelijkheid hierover nodig.

Er zijn inmiddels meerdere onderzoeken waarin dit in beeld wordt gebracht. Een recente studie (Adrian Muller e.a., 2017) concludeert: alleen maar wereldwijde omschakeling naar biologische landbouw (zonder aanpassing van het voedselsysteem) leidt tot meer landgebruik maar ook tot een lager stikstof-overschot en minder gebruik van pesticiden. Een weloverwogen verandering van het voedselsysteem met omschakeling naar biologische landbouw levert echter wel een duurzame voedselvoorziening voor de wereldbevolking in 2050 op. Daarvoor zijn twee dingen nodig: beperking van de hoeveelheid vee en daarmee het aandeel dierlijke eiwitten in ons dieet, en vergaand terugdringen van de voedselverspilling. In dat scenario:

  • wordt de veestapel beperkt tot wat nodig is om gewassen die de mens zelf moeilijk kan verteren (met name grassen) om te zetten,
  • worden geen voedingsgewassen aan dieren gevoerd die de mens zelf kan eten en neemt het areaal met gewassen die direct voor menselijke consumptie zijn relatief toe.
  • is het aandeel dierlijke producten in ons dieet kleiner dan nu: de ‘eiwit-transitie’ die al op gang begint te komen.
  • wordt de enorme voedselverspilling (de FAO schat dat wereldwijd 30 a 40% van het geproduceerde voedsel nooit op ons bord komt)  teruggedrongen, in essentie door een efficiënter voedselsysteem; van de noodzaak hiervan is eigenlijk iedereen al overtuigd.

In dit scenario past een wereldwijde omschakeling van zo’n 50% naar biologisch probleemloos. 100% biologische landbouw is mogelijk, maar ‘op het scherp van de snede’ wat betreft de stikstofvoorziening.

Hoe zo’n landbouwsysteem er op wereldniveau uit zou moeten zien is overigens met alleen de tegenstelling gangbaar - biologisch onvoldoende in beeld. Per klimaatzone en regio zal er gezocht moeten worden naar een optimalisatie van het landbouwsysteem. Een goed denkmodel daarvoor is dat van ‘ecologische intensivering’ (Pablo Tittonell, 2013).